Page images
PDF
EPUB

ken afgaat, en hoe weldadig hare kracht zij te achten tot bewaring en aankweeking van den Christelijken geest, wordt met kortc, maar fiksche trekken geschilderd. Vervolgens wordt $ 30 over eenige andere hulpmiddelen gehandeld, die zich aan het gebruik der genoemde gevoegelijk kunnen aansluiten, en het noodige gezegd over de wijze, waarop zij moelen gebruikt worden. Eindelijk, ten derde, wordt het onderzoek voortgezet, de indolis Christianae sequelis et finibus, en aangewezen, dat deze Christelijke geest zich len doel stelt, ons te verbinden met God en CHRISTUS, om alzoo de gansche menschheid te volmaken, en eens hemel en aarde tot ééne maatschappij te vereenigen. Hoc verheven dit doel is, zal wel naauwelijks aanwijzing behoeven. En hoe hoog de zedelijke waarde van zulk eene echt Christelijke gesteldheid, in Gods oog, in de weegschaal van zedelijke menschen, en naar des Christens eigen oordeel te achten zij, behoefde alleen (S 32) nog slechts bij gevolgtrekking te worden herinnerd.

In het tweede Hoofdstuk van dit Pars worden nu , daar eerst de bron des Christelijken levens zelve is ontsloten, de bijzondere rigtingen van des Christens denken, gevoelen en handelen nader onlwikkeld. De Schrijver houdt zich

gewone verdeeling van pligten jegens God, zichzelven en anderen. Wij behoeven zijn Hooggeleerde zeker de verschillende bezwaren niet te herinneren, waaraan deze verdeeling onderhevig is, en kunnen toestemmen, dal zij, zoowel om harc algemeenheid, als hare populariteit, cenigen voorrang verdient. Vreemder zou het kunnen schijnen, dat hier eerst de pligten aangaande cirisTus en dan eerst jegens God worden voorgesteld, ware niet reeds uit de vroegere aanwijzing gebleken, dat de Christen juist door de liefde lot CARISTUS zich gedrongen gevoelt, om jegens God, zichzelven en den broeder

ор

de regte wijze gezind te zijn en te handelen. Ofschoon dus de Christen natuurlijk jegens God zelven nog hooger en heiliger pligten te vervullen heeft, dan omtrent JEZUS CHRISTUS, zijnen Zoon, zoo verdienen echter, psychologisch beschouwd, de laatste gezindheden , als grondtoonen

aan de

van het Christelijk gemoed, het cerste behandeld te worden. – Doch wij kunnen bij de beschouwing der enkele pligten den Hoogleeraar niet volgen. Genoeg, liefde jegens de verschillende voorwerpen, waaraan de Christen zich door de hciligste banden verbonden gevoelt, is ook hier de vervulling der wet. Als hoogstbelangrijk noemen wij inzonderheid wat, bladz. 303 en verv. over de zelfliefde, bladz. 319 over de Christelijke broederliefde, en, in onderscheiding daarvan, bladz. 340 en verv. over de algemeene menschenliefde wordt in het midden gebragt. Ook verblijdde het ons, bladz. 330 en 352 en verv. , ecne korte geschiedenis van deze laatste pligten aan te treffen. Wij hadden wel gewenscht, dat de kiooglecraar , bij de vermelding althans van iederen hoofdpligt, zulk een historisch overzigt had gegeven. Op zijn standpunt ware zulks, dunkt ons, geheel consequent geweest. Er was ook op dit punt door anderen, vooral in sommige monographiën van stäublin, zooveel voorgewerkt, dat eene korte en kernachtige opgave der historische hoofdpunten voldoende ware geweest. En waar de Schrijver, voor de beschouwing van iederen pligt, uit de geschiedenis zulke belangrijke wenken had getrokken , als hij bladz. 32, 33 geloond heeft, voor de Moraal in haar geheel, uit hare geschiedenis te hebben opgemaakt, dan ware de ontwikkeling van enkele bijzonderheden welligt nog rijker en grondiger geweest. Doch wij vragen welligt te veel. Genoeg, ook het 3de en laatste Hoofddeel, handelende » de indolis Chris. » tidnae initio atque perfectione” is der beschouwing overwaardig. Die het vreemd vindt, dat hier pas, aan het einde van het geheele werk, over het eerste gehandeld wordt, leze bladz. 385 en verv., en die over de noodzakelijkheid, de wijze, de kenteekenen en het einddoel der Christelijke volmaking veel met weinige woorden gezegd wil hooren, sla bladz. 401-406 op.

Zieldaar, lezers ! een beknopt overzigt van het belangrijke werk, ons door den Hoogleeraar PaREAU aangeboden.

Het is genoegzaam, vertrouwen wij, om een flaauw denkbeeld le geven van den gang en den aard des onderzoeks. Echter bekent Rec. gaarne, dat het door hem medegedeclde arm is en oppervlakkig, in vergelijking van de vele zaken, in het werk zelf voorkomende. Doch wij mogten niet te uitvoerig zijn, en zijn tevreden, zoo wij de belangstelling hebben opgewekt omtrent een werk, dat, op welk Theologisch standpunt men ook sta (mits het niet geheel exclusief zij) dic belangstelling ten volle verdient.

Vraagt nu de lezer naar ons oordeel. Wij willen die vraag beantwoorden, met eenige dingen te noemen, die, naar ons gevoelen, tot cene goede en grondige beoordeeling van dit werk worden vereischt. Dan zal, dit vertrouwen wij, de vraag naar ons oordeel in al haren omvang niet worden herhaald. Allereerst zouden, dunkt ons , de philosophische begrippen moeten getoetst worden, die aan elke moraal ten grondslag liggen, en ook hier, schoon van cen ander standpunt, behandeld worden: wij bedoelen de begrippen van regt, van pligt, van straf, van toerekening en andere, en hoevcel kan er over ieder van deze denkbeelden niet worden in het midden gebragt! Vooral zouden de verschillende Dogmatische denkbeelden ter sprake moeten komen, waarop deze gansche moraal is gebouwd, zoo als, in de Christologie, de voorstelling van-'s Heeren Goddelijke natuur , in verband met zijne reine menschheid: in de Theologie, het denkbeeld der betrekking tusschen God en de wereld, waarvan hier wordt uitgegaan : in de Anthropologie, de begrippen van zedelijke vrijheid, van den aard en den oorsprong der zonde, vooral van het niet specifisch, maar graducel onderscheid tusschen de Goddolijke en menschelijke natuur: in de Soteriologie eindelijk, de voorstelling van het geloof, als vertrouwen, van den heiligen geest, als vrucht des geloofs : in cen woord, de gcheele opvatting van den aard des Evangelies, en van de bestemming der Christelijke kerk, waarvan de geleerde Schrijver uitgaat, zou dan nader moeten overwogen worden. Eindelijk, zou ook de Exegese, waarop de kracht der hier aangevoerde bewijzen is gebouwd, nader moelen

en

geloelst, en vooral waar zij van de meer gewone en heerschende opvatting afwijkt, moeten gewogen worden. Indien nu Rec. omtrent al deze punten met een enkel woord een vonnis wilde uitspreken, wat zou grooter zijn, zijne onkunde of zijne verwaandheid ? Hij meent dat de geleerde Schrijver zijne beoordeeling met een’ medelijdenden glimlach zou aanzien , als hij over de zwaarste problemata ran den Christelijken geest, waarover ieder denker geene uren, maar jaren peinst , in eenige weinige regelen handelde. En dat hij de lezers der Vaderlandsche Letteroefeningen met deze bloote opnoeming vermoeit, heeft niet zoozeer ten doel, om hem van verdere verklaring te ontslaan, als wel cene andere reden. Niets is namelijk bij de beschaafde Christenen onzer dagen gebruikelijker, dat dat velen Groningen en deszelfs leer uit de hoogte veroordeelen, sommigen hoog met dat stelsel loopen. Welke de oorzaak van dat veroordeelen is, willen wij uit Christelijke liefde niet onderzoeken. Wij vertrouwen , dat het althans somtijds geboren wordt uit zucht om niets te verliezen, van hetgeen men meent, Godsdienstige waarheid te zijn. Maar wij nemen deze aanleiding waar, om op te merken, dat beide lof en blaam hier meestal zeer oppervlakkig zijn. Die aan het denkbeeld hecht van openbaring in den persoon van CHRISTUS, strijdt voor Groningen. Die om even toevallige redenen nog meer aan het begrip van het Evangelie als leer blijft vasthouden , ijvert tegen Groningen. Alsof dáármede alles ware afgedaan! Alsof er niet aan dit stelsel, gelijk aan alle andere, cene rij van wijsgeerige cn Christelijke grondbegrippen ten grondslag lag, die ingrijpen in de cerste en mocijelijkste vragen, welke de menschelijke en Christelijke rede zich kan voorleggen. Alsof die vragen met eene enkele pennestreek waren beoordeeld, met eene enkele magtspreuk waren weggecijferd! Neen, zoo iets van al het genoemde hier in aanmerking komt, (en de deskundige zal gevoelen, dat wij nog veel meer hadden kunnen noemen), dan is het oordeel hier niet zoo spoedig afgedaan. Dan behoort er een rijp overleg, een wijsgeerige zin, eene meerdere onafhankelijkheid van men

schelijk gezag, vereenigd met diepen eerbied voor het eeuwig Evangelie, zich in één hoofd en hart te vereenigen, om het oordeel te doen overeenkomen met de heilige regten der waarheid en de onverbrekelijke welten der liefde. Gesteld, dat Rec. er en de bevoegdheid, en de bekwaamheid toc had, hij zou het eene beleediging aan de Godgeleerde wetenschap achten, zoo hij hier met eene enkele pennestreek zich of voor of tegen een' harer hoofdrigtingen in ons vaderland verklaarde. Ach, dat ieder in onze dagen de les der gematigdheid beoefende! Maar brandschreeuwen en napraten is zeker gemakkelijker , dan zelfstandig oordeelen en - wederleggen.

Deze korte aankondiging zal haar doel hebben bereikt, zoo zij sommigen van een voorbarig oordeel teruggehouden, en velen uitgelokt heeft, om met het boek zelf kennis te maken. Die het overigens billijk beoordeelen wil, moet zich

ор het standpunt des Schrijvers plaatsen, en over het gebouw, dat hier voor zijne oogen is opgetrokken, geen vonnis vellen, voor hij den grondslag heeft onderzocht, waarop het rust. Mogten wij nog voor eene en andere opmerking de belangstelling onzer lezers inroepen, de eerste zou de vereeniging betreffen, die hier weder tusschen Dogmatiek en Moraal is tot stand gebragt, na cene tweehonderdjarige afscheiding. Die haar veroordeelt, verneme, dat zij in Duitschland door beroemde Godgeleerden steeds meer wordt tot stand gebragt, en sla slechts de Dogmatiek van sitzsch en de » Lehre von der heiligen Liebe" van SARTORIUS OP,

welke ieder

ор hunne wijze hetzelfde hebben gedaan, en toch wel van geene Heterodoxie beschuldigd zullen worden. Ook wij beloven ons van die hereeniging alles goeds. Dat de Moraal bij die vereeniging wint, zal wel van zelf in het oog vallen aan ieder, die een levend en bezield ligchaam schooner vindt, dan een dor geraamte. Alleen zou de vraag zijn, of de Dogmatiek, als zelfstandige en hoofd-wetenschap alzoo gcene schade lijdt, en of men welligt niet weder te veel van haar gebied op dat der zedekunde overbrengt? De uitgave der Groningsche Dogmatiek, welke wij vernemen, dat later te

« PreviousContinue »