Page images
PDF
EPUB

en Kiesregt wordt voorgedragen, is het te hopen, dat er van de inlichtingen en aanmerkingen van den Hoogleeraar partij zal worden getrokken.

Even veel aandacht verdient het werkje van eenen ongenoemde: De conflicten ran attributie, uit een geschieden staatkundig oogpunt beschourod. In het eerste Hoofdstuk levert hij eene geschiedkundige beschouwing van hetgeen met betrekking tot de conflicten in ons vaderland is voorgevallen. Het tweede Hoofdstuk handelt over de bestaanbaarheid van de conflicten met de Grondwet, en de noodzakelijkheid om dit onderwerp bij eene wet te regelen. De eerste afdeeling van dat tweede Hoofdstuk beantwoordt alzoo toestemmend de vraag: zijn conflicten met onze Grondwet bestaanbaar? De tweede afdeeling, even toestemmend, de vraag: is eene wettelijke regeling der conflicten noodzakelijk ? Eindelijk onderzoekt de Schrijver, in het derde Hoofdstuk, aan welke Magt de beslissing der conflicten behoort te worden opgedragen, en beweert, dat zulks behoort te zijn aan den Koning, echter niet aan den Koning als persoonlijk scheidsman, maar alzoo, dat 's Konings Besluit tot handhaving of tot verwerping van het conflict door eenen Minister worde medegeteekend.

Dat, bij het altijd mogelijke verschil van gevoelen, of eene zekere zaak al dan niet een onderwerp van burgerlijk regt is, dan wel of zij is van zuiver administratieven aard , het ontstaan van conflicten niet wel kan worden voorgekomen, zijn wij met den Schrijver volkomen ééns. Waarom zou niet nu of dan de administratieve Magt ter goede trouw kunnen meenen, te moeten oordeelen over een punt, hetwelk aan de beslissing der regterlijke Magt door dezen of genen was onderworpen? En waarom zou de Regter niet eveneens ter goede trouw kunnen meenen, bevoegd te zijn, over datzelfde onderwerp te mogen vonnis vellen? Zietdaar dus dadelijk een conflict. Dat eene wettelijke regeling van de conflicten noodzakelijk is, vloeit voort uit het gestelde. Maar aan welke Magt behoort de beslissing der conflicten te worden opgedragen ?

Zoo ras men met den Schrijver aanneemt, dat de Administratieve en de Regterlijke Magt de beide takken zijn der Uitvoerende Magt, dan is niets regelmatiger, dan dat de Koning, die het hoofd der Uitvoerende Magt is, het geschil tusschen de Administratie en de Regterlijke Autoriteiten be

slisse. Uitmuntend is de wijze, waarop de Schrijver aantoont, hoe de contrasignérende Minister, indien eenig geschil van burgerlijk regt alzoo ten onregte aan de Administratieve Magt onderworpen is, kan vervolgd worden zelfs zonder nieuwe wet op de verantwoordelijkheid der Ministers, alleen krachtens Art. 114 en 115 van 't Code Pénal, in verband met Art. 163 der Grondwet en Art. 109 der wet op de Regterlijke Organisatie. Kortom, de Schrijver heeft zijn stelsel zoo goed in overeenstemming gebragt met de Grondwet en de vrijheid der ingezetenen, als slechts mogelijk is.

Doch, is de Regterlijke slechts een tak der Uitvoerende Magt, en is alzoo de Trias Politica een hersenschim? Of is veeleer de Regterlijke de onafhankelijk beoordeelende Magt, terwijl de Uitvoerende Magt de dienares is der Wetgevende bij de in werking brenging en krachtdadige handhaving der wetten, mitsgaders der Regterlijke Magt, bij de gedwongen ten uitvoer legging harer vonnissen? De Koning staat aan het hoofd der Wetgevende Magt, omdat er geene wet is zonder zijne bekrachtiging, aan het hoofd der Uitvoerende Magt, omdat hij de Ministers benoemt en ontslaat naar welgevallen, en aan het hoofd der Regterlijke Magt, omdat er regt gesproken wordt in zijnen naam, overeenkomstig de door hem uitgevaardigde wetten. Maar elke persoonlijke beslissing des Konings in eene Hoogstdenzelven onderworpene twistzaak, b. v. of de Regterlijke, dan wel de Administratieve Magt ergens over oordeelen moet, is of eene beslissing zuiver van Zijne Majesteit afkomstig, en in dat geval strijdig met het constitutionéle Koningschap, of eene daad van den Minister, die het besluit medeteekent, en alzoo eene beoordeeling, door de Uitvoerende Magt in hare eigene zaak , vermits al wat Administratie heet aan de Ministers onderworpen is en van hen inlichtingen en aanschrijvingen ontvangt. B. v. de Ministers bevelen aan de Gouverneurs, te zorgen, dat deze of gene zaak of soort van zaken niet bij den Regter worde beslist. De Gouverneurs werpen daarom conflicten op. De Koning in rade beslist natuurlijk, dat die conflicten moeten worden gehandhaafd : want de Minister kan geen besluit medeteekenen, waarbij eene zaak aan de Regterlijke Magt wordt teruggegeven, indien, overeenkomstig eene ministeriéle aanschrijving, eenig Gouverneur het conflict had opgeworpen. Het kan wel zijn, dat b. v. de Minister van Binnenlandsche Zaken door den Gouverneur het

conflict heeft doen opwerpen, en de Minister van Justitie het Besluit des Konings medeteekent. Maar zoo de ééne Minister omverwerpt, wat de andere heeft opgebouwd, bestaat er geen stelsel van egering.

Wij meenen daarom te moeten volharden bij ons vroeger gevoelen, dat de Hooge Raad het beste geschikt is, om over het al of niet handhaven van een opgeworpen conflict te oordeelen, vooreerst, omdat de Hooge Raad geene aanschrijvingen doet noch bevelen uitdeelt, hetzij aan administrative autoriteiten, hetzij aan Hoven of Regtbanken, hetzij aan Ambtenaren van het Openbaar Ministerie, en dat collegie dus altijd vreemd en onzijdig is in de zaak; en ten tweede, omdat, gelijk wij in dit Tijdschrift reeds vroeger aanwezen, de Hooge Raad, uithoofde van de wijze zijner zamenstelling en den kring zijner werkzaamheden, meer is dan een enkel regtsprekend ligchaam in burgerlijke en strafzaken. Immers ook de Ministers staan voor denzelven te regt. De Hooge Raad oordeelt dus ook over staatszaken; en, volgens de theorie van den Schrijver dezer brochure, zou men den Minister, die ten onregte een conflict had helpen handhaven, bij dat staatsligchaam kunnen aanklagen. Langs eenen omweg komt de opperste beslissing dan toch bij den Hoogen Raad: waarom niet liever regtstreeks ? Waartoe aanklagten uit te lokken, die men gemakkelijk kan voorkomen door den Hoogen Raad de zaak zelve te laten uitwijzen?

De tachtigjarige Oorlog der Nederlanders tegen de Spaan

sche overheersching, naar de beste hulpbronnen bewerkt door OTTO VON CORVIN - WIERSBITZKY.

Uit het Hoogduitsch. Isten Deels 1ste Stuk. Te Amsterdam, bij M.

H. Binger. 1842. In gr. 8vo. XVIII, 176 bl. f 2 -30. Zoo

ontvangen wij dan hier wederom een werk over den tachtigjarigen strijd onzer voorvaderen tegen Spanje. Niettegenstaande er reeds door een groot aantal zoowel in- als uitlandsche Schrijvers (*) over dit belangrijk tijdvak onzer

[ocr errors]

(*) De voortzetting van het werk door den Heer Mr. S. DE WIND, Biblioth. der Ned. Geschiedschrijvers, zien wij met verlangen te gemoet. Over de uitlandsche Geschied

Geschiedenis is geschreven, zou maakten de onderzoekingen in de laatste jaren dienaangaande eene vernieuwde behandeling noodzakelijk; en telkens toch moet ons, bij eene pragmatische beschouwing, de opsomming dier gebeurtenissen welkom en aangenaam zijn. Inzonderheid verwekt dit ons genoegen, wanneer zulks door eenen vreemdeling geschiedt, daar er zoo velen gevonden worden, die op de roemrijke bedrijven dier dagen niet met die belangstelling het oog vestigen, welke zij verdienen.

Het tegendeel vindt hier plaats: met groote naauwkeurigheid, geholpen door eene uitgebreide lektuur der beste bronnen, gepaard aan eene welmeenende achting voor al wat vrijheid heet en vrijheid ademt, wordt dit gedeelte onzer Geschiedenis door den reeds vroeger met roem bekenden Pool behandeld. Hier en daar zijn de sporen van opgewondene geestdrift niet te miskennen, die den Schrijver, bij het schetsen van den Nederlandschen oorlog, door het schouwspel van zijn eigen vaderland, bezielen.

Fiks en krachtig is de Schrijver in het schilderen der voornaamste personen; inzonderheid vindt hier de grondlegger van Neêrlands onafhankelijkheid een' nitmuntenden verdediger, en wij zeggen het WIERSBITZKY, op bl. 65, volgaarne na: , noch oude, noch nieuwe Geschiedenis kan eenen zoo volmaakten volksleider toonen. Het is gemakkelijker een NAPOLEON te zijn dan een WILLEM VAN ORANJE." Rec. herinnert zich hierbij het krachtige gezegde van den grooten IEEREN, die, van wille, I sprekende, zegt: » Hij was een eenig man in een' eenigen toestand.”

Ten einde den Lezer op het ware standpunt te plaatsen, van waar hij het roemrijke tijdvak des tachtigjarigen oorlogs te beschouwen hebbe, achtte de Schrijver het niet ongepast, om in eene inleiding de magt, het karakter en de eerste stappen van Filips II in de Nederlanden te schetsen; om daarna in eene 2de en 3de Afdeeling den Lezer met de gebeurtenissen onder zijne regering, en wel met den oorlog in Italië en Frankrijk, bekend te maken. In eene 4de Af

schrijvers der Spaansch - Nederlandsche onlusten ontvingen wij in 1837 een werkje. Deze pogingen, om eene meer grondige beoefening der Geschiedenis voor te bereiden, meenen wij, dat door den Bibliograaph DODT VAN FLENSBURG niet vervolgd zijn.

deeling beschrijft hij ons eenige der voornaamste personen, die bij de keuze eens Landvoogds over de Nederlanden als mededingers zich vertoonden ; met name WILLEM VAN ORANJE, de Graaf van EGMONT, CARISTINA VAN LOTHARINGEN en HARGARETIIA VAN PARMA. In eene 5de Afdeeling worden de ontwerpen van pilips, na den vrede van Château-enCambresis, uiteengezet, en over de Statenvergadering te Gent en het vertrek van Filips gehandeld ; terwijl in eene 6de Afdeeling over de Staatsregeling der Nederlanden gesproken wordt.

Na aldus aan de hand des Schrijvers de voorafgaande gebeurtenissen doorloopen te hebben, zijn wij genaderd tot dat tijdstip, waarop men met regt zeggen kan, dat de Spaansche overheersching een' aanvang nam: al voerde men nog niet openlijk den oorlog, er gebeurden toen zaken en er werden wederzijds besluiten genomen, die niet alleen voor den diepen menschenkenner, maar voor den eenvoudigsten burger geene geringe voorteekenen der naderende uitbarsting waren. De Schrijver vangt dus met het I Boek aan, onder den titel van MARGARETHA VAN PARMA. Het handelt over de stemming van het volk. Hoofdstuk II leert ons de Spaansche troepen en het vertrek uit de Nederlanden, den Kardinaal GRANVELLE, BARLAIMONT, VIGLIUS VAN ZUICIEM en IOPPERUS kennen. Wij stemmen ten volle in met de aanmerking des Vertalers, dat de Schrijver in zijn oordeel over VIGLIUS alles behalve consequent is. Viglios komt ons in de geschiedenis voor als een man, die moeds genoeg bezat om aan de willekeurige middelen van GRANVELLE het hoofd te bieden; en het klinkt voorzeker vreemd, den Schrijver als in éénen adem te hooren zeggen: » Hij was een buitengewoon geleerd en bedreven staatsman, hoewel anders geen groot licht." Hoezeer wij regt doen aan des Schrijvers karakterbeschrijving van sommige personen, zo0 treffen wij ook hier eene dier magtspreuken, liever paradoxen, aan, die de vreemdeling niet zelden in mond en pen heeft, om over onze verdienstelijke mannen oordeel te vellen.

Dan wij willen voortgaan, en vinden in het IIIde en IVde Hoofdstuk van de invoering van nieuwe Bisdommen in de Nederlanden en van de Inquisitie gewag gemaakt. De laatste toch volgde op die invoering, en om de Inquisitie in werking te stellen, moest pilips eerst op alle mogelijke wijze zijne magt, zoowel wereldlijke als geestelijke, in de Neder

« PreviousContinue »