Page images
PDF
EPUB

overal veel waarde heeft; maar vooral in eene kolonie van gewigt is, waar de belangen zo0 uiteenloopen. Ref. wil de uitdrukkingen niet overnemen, die de Heer TEENSTRA zich, onbescheiden genoeg, van den Heer Procureur-Generaal veroorlooft. Wie bewijzen mogt verlangen, om te weten wie hij is, verwijzen wij naar de Surinaamsche bladen van den 2 en 4 December 1841, waar onder anderen, toen de Heer J. C. RIJK door zijne benoeming tot Directeur-Generaal van de Nederlandsche Marine gereed stond de kolonie te verlaten, van den Heer Mr. PI. DE KANTER gezegd wordt, dat de tijdelijke benoeming van dien Heer, bij de verwijdering van den Gouverneur-Generaal, minder nadeelig zijn zal, bij de overweging dat de kolonisten in dien achtingwaardigen opvolger een' man bezitten, van wiens strikte regtvaardigheid, kunde en standvastig karakter zij alles goeds te wachten hebben. En dat de kolonie zelfs eenen krachtigen waarborg voor het wèl bestieren harer belangen in de benoeming van den Heer DE KANTER tot algemeen' Opperbevelhebber dezer Gewesten vinden zoude, daar hij, gedurende den tijd dat hij aan het hoofd der regering was geplaatst, door handhaving der wet, en door onkreukbare regtvaardigheid, minzaamheid en belangstelling betoond heeft, in den waren zin, aller hulde te verdienen. Rec. gelooft, dat de mededeeling dezer getuigenis genoegzaam zijn zal, om den lezer van het werk, van de onbescheidene uitdrukkingen, door den Heer TEENSTRA gebezigd, alsof hij een man ware , bij wien, misschien door de dagelijksche omgang met pielten en boosdoeNERS, (buigt u, ingezetenen van Suriname !) de fijne draden van het menschelijk gevoel schijnbaar zijn afgebroken," behoorlijk te overtuigen.

Wat wij verder in het Iste Hoofdstuk, betrekkelijk do bevolking, de landbouwende klasse en de vrije inwoners van de stad Paramaribo aantreffen, geeft een zeer goed overzigt van de kolonie.

In het Ilde en IIIde, bepaaldelijk over de slaven handelende, geeft de Schrijver de redenen op van de vermindering derzelve, en acht het wenschelijk, dat er Europeanen mogen worden gevonden, die lust en genegenheid bezitten om zich daar neer te zetten; ten einde, zoo mogelijk, het geheele verval van een schoon en vruchtbaar land voor te komen. De schildering, die wij op bl. 89 en 90 aantreffen, is echter wel wat sterk gekleurd: de voorbeelden bestaan toch, dat men met koloniseren zeer onverstandig kan te werk gaan. Wanneer men terugziet op die landverhuizers, welke zich daar wilden vestigen en met het begin van den grooten regentijd aldaar aankwamen, doch, ontbloot van alle noodige behoeften, niet in staat waren het land te ontginnen, waardoor, bij niemand ondersteuning vindende, het geheele project in duigen viel, dan toch dient men wel voorzigtig te wezen van zulks niet op eene te kleine schaal te verrigten; maar door het Gouvernement ondersteund te worden, dat landen behoort aan te wijzen, waar zij zich moeten nederzetten ; te zorgen, dat, daar ter plaatse, de noodige landbouwersgereedschappen voorhanden zijn, en door voorschotten, op voordeelige voorwaarden, den landman in staat te stellen, zich die artikelen te kunnen aanschaffen, welke hij behoeft; en daar velen dezer, zoo als meel, visch (bakkeljaauw), zoutvleesch, spek, gezaagde deelen enz. enz., door Amerikaansche schepen worden aangevoerd, zoo zoude men moeten trachten, dat deze aanvoer door Hollandsche schepen geschiedde en het aangevoerde in Gouvernements-pakhuizen opgeslagen werd; ten einde daardoor voor te komen, grove procenten aan de zoogenaamde Amerikaansche kooplieden te betalen, die thans dezen handel geheel in hebben ; terwijl daarentegen voor de melasse, welke de Amerikanen in retour nemen, andere wegen moeten worden gevonden.

Het is met den Schrijver te bejammeren, dat er 200 weinige eigenaars van plantaadjen, in de kolonie, aanwezig zijn, daar dit eenen vermogenden invloed op de slaven uitoefent, dewijl het bekend is, dat de slaaf zich zeer aan zijnen heer en meester hecht en de administrateurs (zaak waarnemers) met de grootste winsten henen gaande, ook hier het Hollandsche spreekwoord : , Ver van uw goed, digt bij uw schade,” in alle opzigten, geldig is. Ook is de behandeling der negers, op die plantaadjen, waar de eigenaars tegenwoordig zijn, veel beter dan op die, welke door administrateurs worden bestuurd, ofschoon, over het algemeen, de behandeling der slaven, sedert eenige jaren, veel is verbeterd, en de Schrijver ten deze niet geheel van overdrijving is vrij te pleiten.

In het IV de Hoofdstuk geeft de Heer TEENSTRA een geheel overzigt der plaats gehad hebbende omstandigheden van den brand op den 3 en 4 September 1832; hetwelk eigenlijk eene vermeerdering en verbetering is, door bijvoeging van

BOEK BESCH. 1843. no. 5.

den inventaris der stukken enz., van eene brochure, door den Schrijver, in April 1833, bij den Courantendrukker ENGELBRECIT, te Paramaribo, in het licht gegeven; gevolgd door de straffen, den negers opgelegd bij een vonnis, gewezen bij het geregtshof te Suriname, met en benevens eenige daarop gemaakte annotatiën en verslag der executie, 200 van de hoofdmisdadigers als van de medepligtigen. Wat de Schrijver eigenlijk beoogd heeft met het opgeven van al die procesverbalen, missiven, extracten, rapporten, examinatiën, interpellatiën, autorisatiën en confrontatiën, hetwelk alles te zamen 126 bladzijden beslaat, betuigt Rec. niet te begrijpen, of het moest zijn om het werk daardoor eenige meerdere lijvigheid te geven. Het is wel van eenig aanbelang voor den regtsgeleerde, doch voor het algemeen is zulks van weinig nut. En wat de straf betreft, den negers opgelegd, dezelve is zeker verschrikkelijk; dan de wetten moeten haren loop hebben, en exemplaire straffen van dien aard kunnen in de kolonie, om vele redenen, nog niet worden afgeschaft. (*) !

(*) De Redactie voldoet gaarne aan een haar gedaan verzoek, om de hier volgende mededeeling bij de aankondiging van het werk des Heeren TEENSTRA te voegen. Zij meent den geachten Schrijver dezer teregtwijzing de gelegenheid ter handhaving zijner aangevallene eer niet te mogen weigeren, en laat de beoordeeling van het gedrag van den Heer teeNSTRA aan de regtvaardigheid harer lezers over. De teregtwijzing luidt aldus :

In het onlangs bij den Boekhandelaar LAGERWEY, te Dordrecht, verschenen werk van m. D. TEENSTRA, voorheen West-Indisch ambtenaar, doch sedert eenige jaren als 200danig ontslagen, getiteld: de Negerslaven in de kolonie Suriname, vindt men eene beschrijving van den in het jaar 1832 plaats gehad hebbenden brand te Paramaribo en van de procedure tegen de slaven, die zich aan het stichten van dien brand hadden schuldig gemaakt, benevens een afschrift van het vonnis, tegen die slaven gewezen.

» Op bladzijde 197 van dat werk begint eene lijst der door die vuurramp vernielde huizen, met vermelding der namen van de eigenaren en de bewoners dier huizen. Onder deze komt voor het huis van wijlen Mr. E. L. Baron van IEECKEREN, bewoond door Mr. FIERS SMEDING; terwijl in eene

In het Vde Hoofdstuk geeft de Schrijver een critisch verslag van de vroegere en latere schrijvers, die over de kolonie handelen. De Schrijver geeft op den titel op, dat hij

noot op die pagina staat: door beiden, eigenaar en bewoner, het doodvonnis geteekend. Deze noot moet noodwendig bij iederen lezer van dit werk bevreemding, zoo niet erger verwekken, bij de gedachte, dat zij, die door eene misdaad belangrijke schade geleden hebben, als regters der aan die misdaad schuldigen zouden zijn opgetreden. De bedoelde noot bevat echter gedeeltelijk eene verkeerde voorstelling, gedeeltelijk eene onwaarheid.

Mr. E. L. Baron VAN IE ECKEREN, Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen, tijdens de beslissing van het crimineel regtsgeding tegen de slaven, welke dien brand hadden aangestookt, heeft niet als regter, maar als Gouverneur-Generaal, het doodvonnis geteekend, ten einde er het fiat executio aan te verleenen: dit attribuut zijner betrekking kon hij aan geen ander ambtenaar overdragen.

, Aan de behandeling en beslissing van het bewuste regtsgeding heb ik zelf echter geen deel hoegenaamd genomen : hoewel tijdens die beslissing lid van het Geregtshof der kolonie Suriname, achtte ik mij echter verpligt, mijzelven te excuseren, omdat ik door die vuurramp het grootste gedeelte van mijn huisraad had verloren, en mitsdien beschadigde partij was: tot overtuiging hiervan kan men pagina 291 van het bewuste werk opslaan, alwaar men de namen vermeld vindt der Raden, die het bewuste vonnis hebben gewezen, onder welke men te vergeefs mijnen naam zal zoeken.

» Wegens mijn ophanden zijnde vertrek naar de kolonie geenen tijd hebbende, om mij met eene beoordeeling van het werk van m. D. TEENSTRA in te laten, zoo achtte ik mij echter tot deze openbare verklaring, voor zoo verre mijzelven betreft, verpligt, omdat, hoewel uit het werk zelf van 1. D. TEENSTRA de onwaarheid van den inhoud der bedoelde noot te mijnen aanzien blijkt, waarschijnlijk niet ieder lezer van dat werk tot eene vergelijking van die noot met de namen, op pagina 291 voorkomende, zal overgaan, en ten tweede omdat m. D. TEENSTRA, ofschoon in eenen brief aan mij erkennende, dat die noot te mijnen aanzien eene vergissing bevat, geweigerd heeft, den inhoud van dezelve, 200 als ik hem heb voorgesteld, door middel van het Algemeen

216

M. D. TEENSTRA, DE NEGERSLAVEN IN SURINAME.

over de uitbreiding van het Christendom onder de Heidensche bevolking schrijven zal ; doch, behalve in het voorberigt, wordt er niet opzettelijk over geschreven ; alleen worden de werkjes van de Heeren de NEUFVILLE en VAN OUWERKERK DE VRIES aangeprezen. Rec. stemt volgaarne in met het gezegde van laatstgenoemde, ten opzigte der Hernhutters in de kolonie, en was meermalen ooggetuige van hunne ijverige pogingen in deze.

Mogen de bemoeijingen, welke aanvankelijk worden in het werk gesteld (zie Z. Ms. besluit d. d. 25 Jan. I. 1., waarbij bepaald wordt o. a. dat drie Predikanten, achtervolgens gevolgd wordende door 50 à 200 huisgezinnen, zich, onder bescherming van het Gouvernement, aldaar zullen nederzetten) met de beste resultaten worden bekroond ! daardoor zou Suriname uit het diep verval, waarin het gezonken ligt, worden opgebeurd en worden wat het vroeger voor Nederland was; dan zal haar milde bodem niet meer vruchteloos uitzien naar handen, om den schat, daaraan toevertrouwd, te ontwoekeren, en de schepen zullen, met rijke lading bevracht, in het Moederland weder zegen en welvaart, onder eene talrijke klasse van menschen, verspreiden.

Papier en druk zijn goed. Het werk is onderhoudend geschreven, en vele bijzonderheden zullen den lezer aangenaam zijn. De Uitgever vare er wel bij !

Handelsblad publiek te herroepen, maar zich die herroeping bij een vervolgstuk op zijn werk heeft gereserveerd.

Haarlem, 22 September 1842.

P. FIERS SMEDING.

GERRITS.

oan P. P. RUBENS.

PETRUS PAULUS RUBENS, zijn tijd en zijne tijdgenooten, geschetst in eenige vlugtige tafereelen door G. ENGELBERTS

Met Portret naar de oorspronkelijke schilderij

Te Amsterdam, bij G. Portielje. 1842. In gr. 800. X en 308 bl. f 3 - 30. De Heer EngelBERTS GERRITS had, volgens het Voorberigt dezes werks, met het schrijven van het leven van P. P. ROBENS vooral ten oogmerk, om eens te beproeven, in hoe verre het hem wilde gelukken, eene biographie zoodanig in te rigten, dat de gewone romanlezer het boek niet uit

« PreviousContinue »