Page images
PDF
EPUB

tuur. Groote vernuften hebben altijd dezen weg gevolgd; kleine vernuften volgen de oude slenr, een breed en noodlottig spoor, waarin het voertuig des verstands aan duigen spat, om nimmer weder hersteld te worden. Wanneer een Schilder niets gedaan heeft, dan een ander te kopiëren, krijgt hij weldra een' weêrzin in zijn eigen werk; want de kopij blijft altijd verre beneden het oorspronkelijke. Er is niets dan dwaling en verval in de bloote navolging van groote vernuften. Waarheid en Natuur, ziedaar onze meesters en die van ons gevoel.”

Genoeg van een werk, dat wij met belangstelling en genoegen lazen. De grafschriften op JOANNES RUBENS, op de moeder van RUBENS, op RUBENS broeder en anderen, met grafschriften, door RUBENS zelven in het Latijn ontworpen, komen hier voor. In dat op den dood van Jan RUBENS heeft de Schrijver dezelfde misstelling, die bij GRIMBERGEN wordt gevonden, in den tijd der echtvereeniging: hij en GRIMBERG EN hebben 27 jaren, en het is Annis 26. Ook vinden wij in hetzelve Rupiblicae , moet zijn Reipublicae. Bladz. 53: laboratorium, voor werkplaats van een' Schilder zegt men niet: aan de plaats, waar natuuren scheikundige proeven genomen worden, geeft men dien naam; hier is het onjuist. Waarom niet, wilde men geen Nederduitsch woord bezigen, atelier ? Op bl. 195 komt het woord laboratorium, bij het voorval van den alchymist, in juiste beteekenis voor. Op drukfouten, zoo als bl. VIII eene tint voor eenen; bl. 29 de tol voor den e. d., willen wij verder niet wijzen ; maar besluiten, dat wij wel van gedachten zijn dat de wijze, waarop hier het leven van PETRUS PAULUS RUBENS wordt voorgedragen, onzen landgenooten en inzonderheid het meerendeel der romanlezers niet ongevallig zijn zal.

Wij moedigen den Heer ENGELBERTS GERRITS wel aan, om zijne krachten aan meer dergelijke onderwerpen, bij voorkeur uit onze zoo rijke geschiedenis ontleend, te beproeven. Wij bevelen het werk als eene aangename lectuur ook onze talrijke leesgezelschappen aan, waardoor het debiet, naar verdienste, moge worden vermeerderd.

De uitvoering is net en goed ; de steendruk van het Portret van Rubens kantig en krachtig.

Wat staat het lager Schoolwezen in Nederland van het

gezag des Parselijken Stoels te wachten? Eene tijdige vraag, onderzocht en beantwoord door j. TEISSÈDRE L'Ange, Lid der Provinciale Commissie van Onderwijs in Noord-Holland. Te Amsterdam, bij J. van der Hey en Zoon. 1842.

In gr. 8vo. 24 bl. f : - 25. Bij het Besluit van 1842 was, in Art. 10, de wijze geregeld, waarop moest gehandeld worden, in geval een geestelijke eenige bedenking mogt hebben tegen het gebruik van het ééne of andere boek op de openbare scholen.

Onder anderen was er bepaald, dat zoo de Provinciale Commissie de bedenking van den geestelijke niet gegrond achtte, zij die bedenking aan de Kerkelijke Overheid van den betrokken geestelijke zou voorstellen, enz. Niet alleen, dat in het hoogste ressort de beslissing aan de Provinciale Schoolcommissie gelaten werd; maar het Besluit onderstelde zelfs de individuele handeling van elken geestelijke naar eigen inzien; er werd niet aangenomen, dat er eene gezamentlijke handeling van alle geestelijken op bevel hunner Kerkelijke Overheid dadelijk zou plaats grijpen. Want anders, waartoe de bedenking van dezen of genen aan deszelfs Kerkelijke Overheid te onderwerpen, indien van den aanvang af de geestelijken, niet uit hoofde van elks afzonderlijk begrip, maar op last dier Overheid, de bedenking hadden medegedeeld?

Wel verre van overeenkomstig deze voorschriften te handelen, verliepen er negen maanden, zonder dat éénige voorbehoedende maatregel werd genomen; maar nu begon men op ééns in verschillende plaatsen » op hooger gezag'' of » naar aanschrijving van hooger gezag.” Dit was niet de bedoeling van 's Konings besluit. Wat zou het nu baten, alvorens gelijk of ongelijk te geven, aan de Kerkelijke Overheid van eenig Pastoor of Kapellaan de bedenking voor te stellen? Die Pastoor of Kapellaan is hier niets. Hij sprak op hooger gezag ; dus heeft de Kerkelijke Overheid reeds beslist. Op een niet genoemd hooger gezag is de aan één geslotene massa der geestelijkheid in aanmarsch tegen de bestaande inrigting van het volksonderwijs, om dat zoo veel mogelijk aan dat hooger gezag in handen te spelen. En waarin bestaat, bij wien berust nu dat hooger gezag. De Schrijver beroept zich

op de Catholijke Nederlandsche Stemmen, No. 42 van 150ctober 1842, bl. 340: » Het Kerkbestuur der Catholijken in ons vaderland is eene Missie in negen van de elf provinciën; terwijl Noord-Braband door Vicarii Apostolici bestuurd wordt, wat nu ook met Limburg het geval is. Zoo wel de Vice Superior der Nederlandsche Missie , als de Vicarii Apostolici, besturen het Nederlandsch gedeelte der Catholijke Kerk, niet met een eigen Bisschoppelijk gezag, maar met een geleend gezag, dat revocabel is, en ieder oogenblik kan ingetrokken worden. De H. Vader is de eigenlijke Ordinaris, de OpperPastoor, de Bisschop der Nederlandsche Catholijken. Zoo wel de Vice - Superior als de Vicarii Apostolici zijn enkel zijne gedelegeerden, en kunnen zonder den H. Vader, sonder zijne uitdrukkelijke vergunning, zelfs geene dispensatie in de gestrengheid van den veertigdaagschen vaste verleenen, enz."

Daar nu door het Hooger Gezag, hetwelk den Roomschen geestelijken bevel gegeven heeft, deze of gene aanmerkingen te maken, onmogelijk de Koning of zijne Ministers kan verstaan worden; en daar er bij ons geene wezenlijke Overheid in het Kerkelijke voor hen bestaat buiten den Paus, is het dus, naar de juiste gevolgtrekking van den Heer TEISSÈDRE L'ANGE, Z. H. zelf, op wiens order gehandeld is.

» En ziet dáár," zegt de Schrijver, bl. 13: » een deel van het beheer over het Openbaar lager Onderwijs geraakt onder de magt van den Paus..... Éénig zal dit verschijnsel wezen in Europa, buiten den Kerkelijken Staat. Men leze de Geschiedenis van het lager Onderwijs in de grootste Rijken van dit werelddeel, zelfs in zulke landen, waar de RoomschKatholieke Godsdienst die is van den Staat; en nergens zal men het Pauselijk gezag in het gebruiken of weren van Schoolboeken, Schriften en Gezangen erkend zien; veelmin in gemengde Scholen geldig: zelfs niets eens toegelaten.”

Wat nu te doen? De Schrijver verwijst (bl. 17 en vervolgens) naar de Algemeene Boekenlijst ten dienste der lagere Scholen in de Noordelijke Provinciën, op last van den vorigen Koning uitgegeven ter landsdrukkerij te 's Gravenhage, in 1815, ten gevolge van Z. M. Besluit van 14 Julij van dat jaar, en naar de daarin aangehaalde circulaire aan de Kerkbesturen der verschillende Gezindten, van 30 Bloeimaand 1806, te vinden in de Bijdragen betrekkelijk den staat en de rerbetering van het Schoolwezen, Deel Vi, St. VI,

bl. 13–16. Hij wil, dat aan elken Schoolonderwijzer een exemplaar dier boekenlijst worde uitgedeeld. Dat dit gebruik overal worde hersteld en gehandhaafd. Daar echter na 1815 veel nieuwe, waaronder echter veel overtollige boeken, verschenen zijn, zoo verlangt hij het vervaardigen en op 's Konings last uitgeven eener nieuwe Boekenlijst. Gemakkelijk is het te weten, welke schoolboeken door het gebruik geijkt zijn. Kwam er, na het arrestéren der nieuwe lijst, een waarlijk onmisbaar werk uit, dat zou op eene supplementaire lijst kunnen worden gebragt.

Wij hebben ééne bedenking. Waartoe de Regering, die zelve bij het Besluit van 1842 aan de Provinciale Schoolcommissiën, elke in haar ressort, het regt van beslissing in handen heeft gegeven, op nieuw in de zaak gemoeid ? Laat de Schoolcommissiën eenvoudig opgaaf der gebruikt wordende boeken aan al de onderwijzers vragen, en daarop elkander die lijsten mededeelen. Bij onderhandsche correspondentie verstaan die Commissiën elkander, en arresteren elke afzonderlijk, doch naar eene onderling gesloten overeenkomst, wat zal gehandhaafd of verworpen worden. Schijnbaar op zich zelve staande, maar onzigtbaar vereenigd , staan zij nu gereed. Zij ontvangen de aanmerkingen, vragen voor de leus het advies der kerkelijke Overheid. Deze antwoordt in schijn: want al wat de geestelijken aanmerkten, was hun vooraf reeds opgegeven. De Schoolcommissiën beslissen, elke afzonderlijk, doch overal juist hetzelfde. Het poppenspel heeft zijnen geregelden afloop, en er is niets verloren.

Wat is regtens, wanneer hij, dien een geregtelijke eed ambtshalve is opgelegd, vóór de aflegging daarvan overlijdt? Pleitrede door Mr. A. F. JONGSTRA, te Heerenveen.

Te Heerenveen, bij F. Hessel. 1841. In gr. 8vo. 92 bl. fl-:

Schets van Neêrlands Staatsbestuur, van de vroegste tijden af, tot op het jaar 1815. Te Dordrecht, bij van Houtrijve

en Bredius. 1841. In gr. 800. 106 bl. f 1-10. Uitmuntend is in de hier aangekondigde Pleitrede aange'toond, dat, wanneer aan iemand de suppletoire eed is opgelegd, en de tegenpartij van dat vonnis in hooger beroep

komt, vóór de eed is kunnen worden gedaan, en indien verder het vonnis, waarvan appel was opgeworpen, bij den Regter in hooger' aanleg wordt gehandhaafd, zoodat daaruit blijkt, dat er ten onregte geappelleerd was; mitsgaders indien de zegevierende partij nu op nieuw alle moeite aanwendt, om den eed te kunnen afleggen, maar hij alsnu komt te sterven, vóór de Regter Commissaris hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld; alsdan de eed moet gehouden worden voor inderdaad te zijn geschied, vermits de tegenpartij, door haar ongegrond appelléren, de aflegging van den eed heeft verhinderd, en naderhand het overlijden van hem, wien de eed was opgelegd, zonder dat deze zijn beweerde vóór den dood herroepen heeft, maar terwijl hij integendeel, tot aan zijn einde, alle poging om te mogen zweren heeft aangewend, zelfs nog meerder zekerheid nopens deszelfs overtuiging van de regtvaardigheid zijner zaak verschaft, dan de aflegging van den eed in volle gezondheid. Geen wonder, dat dan ook de Arrondissementsregtbank te Heerenveen den Advocaat JONGSTRA, in wederwil van alle spitsvondige tegenspraak op grond van hetgeen de kwalijk begrepene letter der wet zegt, volkomen gelijk heeft gegeven, en wij verheugen ons over de zegepraal eener blijkbaar zedelijk en geregtelijk goede zaak.

Minder onbepaald kunnen wij ons vereenigen met de wijze van zien des opstellers van de schets van Neêrlands Staatsbestuur, van de vroegste tijden af, tot op het jaar 1815. Gaarne doen wij hulde aan het beknopte en kernachtige der beschouwing; maar vooreerst is ons de verdeeling in een monarchaal tijdperk, tot aan den dood van Prins Willem I of, zoo de Schrijver zegt, tot de afzwering van Spanje in 1581, een republikeinsch tot 1795, en een constitutioneel tot 1815, vrij willekeurig. Zuiver monarchaal is ons Staatsbestuur nooit geweest, en schoon het na den dood van WILLEM I republikeinsch werd, was het zulks nog meer na 1795 tot aan het Koningschap van LODEWIJK NAPOLEON. Met hem herleefde de nu nog in gewijzigden vorm voortdurende constitutionele Monarchie. Maar constitutioneel was niet alleen de republiek van 1795 en vervolgens; neen! reeds sedert de Unie van Utrecht bestond er, hoe gebrekkig en onvolledig ook, eene constitutie, waarop zoo wel Stadhouders- als Staatsgezinden zich beriepen. Dat niet alle heil van geschrevene Staatsregelingen alléén te wachten is, stem

« PreviousContinue »