Page images
PDF
EPUB
[ocr errors]

Zij stoken geen tweedragt in den Staat. Integendeel, zij houden zich verpligt tot onderwerping aan de Overheid; maar aan eene regtmatige Overheid, binnen den kring van hare bevoegdheid. Daar de onze echter ook al, door den invloed van het ongeloof, zich zoo veel aanmatigt, dat haar niet toekomt, zullen zij aan het algemeen kniebuigen geen deel nemen, bl. 119, 120. (Nu — dat voornemen is goed, als de voorstelling waar is. Voor geene Afgoden knielen. Maar

dat zij ook dit bedenken vooral niet voor dezulken, die men zich zelve gemaakt heeft !)

Zij werken Rome niet in de hand! Dat doet het algemeen Protestantisme onzer dagen. Rome is eene afvallige Kerk, welke zij krachtig tegenstaan. Maar niet, zoo als b. v. de Evang. Kerkbode, die verzaakt of ter zijde stelt hetgeen aan alle Christelijke Gezindheden dierbaar is. Zij willen het Goddelijk Evangelie zuiver en onvermengd tot de Roomschen brengen; maar niet gelijk het thans in de Hervormde Kerk verminkt, verguisd, onkenbaar gemaakt wordt! bl. 120–131. (Hier spreekt eene vreeselijke bitterheid tegen de hedendaagsche Protestanten , met de kracht eener roekeloosheid, die niet omziet en naar razernij zweemt. (*) Ook de Roomsche Kerk krijgt haar bescheiden deel; zoodat zij niet denken moet, dat de Heeren op het punt zijn van te voldoen aan hare invitatie om over te komen. Maar zij is toch veel beter dan de Groninger School en consorten. De Heeren hebben haar het zuivere Evangelie toegedacht, zonder meer. Zou dat dáár tot zaligheid genoeg zijn? Arme Gereformeerde dan, die de Formulieren er bij noodig heeft! Of zal men de Roomschen ook door den Bijbel tot de Formulieren brengen ? Dat kon zijn. Niet te veel op eens. — Genoeg, zij wer

(*) Indien waarheid de voorstellingen bezielde, dan zonden wij, gelijk elders, 200 ook hier b. v. bl. 127, 8, een juweel van taal en stijl bewonderen. Maar wij stuiten telkens

op het bekende: Rien n'est bear que le orai; le orai seul est aimable ! BOEKBESCH. 1843. No. 6.

S

ken Rome niet in de hand. Rome zelve denkt er wel anders over, en bezigt gaarne en met klem het Haagsche geloofswerk in haar voordeel. Maar men verontruste zich niet. De Heeren zeggen rondborstig, dat zij Rome niet in de hand werken. En wie zou het beter weten dan zij ?)

Nu nog een Epilogus, bl. 131-138. Zij willen vrede, Christelijken vrede. (Niemand zou het gelooven, maar zij zeggen het.) Zij zijn zoo vol van liefde en ootmoed. Zij voeren met CHRISTUS strijd tegen den Satan, uit liefde, om den vrede. Zij wachten en bidden er zegen op!... (Wij lazen dit slot met ontroering over de verregaande uitersten, waartoe warmte of liever hitte des gemoeds, zonder het licht der Goddelijke waarheid in den geest, de menschen vervoeren kan ! Wij dachten aan Saulus vóór zijne bekeering, en vergaten niet, dat hij een Paulus wierd. De bede, die daarbij in ons harte was, zal wel die van velen zijn, die dit geschrist gelezen hebben.)

Wij leggen de pen neder. De Aanteekeningen, bl. 139–164, rekenen wij, na al het vorige, van te weinig belang, om ze nog ten toets te brengen. Wij hebben voornamelijk slechts op de hoofdzaken gelel. De bijzonderheden leiden tot ontelbaar meerdere aanmerkingen. Daarin konden wij ons niet verder begeven. Ook over de eigenaardige verderfelijke gevolgen, welke dit geroep zou hebben, als het weêrklank vond, hebben wij niet uitgeweid; te minder, omdat deze zoo treffend zijn aangeduid in den Tijdgenoot, No. 10. Ook hadden

Ook hadden wij hier nog wel een en ander willen te pas brengen van hetgeen door den Hoogleeraar ROYAARDS, aan het slot van zijn Kerkregt, D. II, bl. 410 enz., tegen den Heer GROEN VAN PRINSTERER is aangevoerd, of door Prof. GIBSELER, in de thans ook vooral zoo lezenswaardige Slotrede van het werkje: De Bewegingen in de Nederl. Herv. Kerk in 1833—1841, bl. 235—250, zoo wèlgegrond gezegd is, — en op welk een en ander de Adressanten het stilzwijgen bewaren.

Maar wij moeten eindigen, en bevelen dus deze slukken nog maar aan degenen, die onderzoeken, naden

ken, en tot de ware vrijheid des Evangelies gebragt worden of daarin slaan willen.

25 Maart 1813.

DE GROOT.

Wat moeten wij, Godgeleerden, in de Nederlandsche Her

vormde Kerk nu doen? Eene Toespraak aan de Theologische Studenten bij het openen der Akademische lessen te Groningen, gehouden door Prof. HOFSTEDE

Te Groningen, bij J. Oomkens. In gr. 8vo. 36 bl. f :-30. Broederlijke Toespraak aan allen , die de Hervormde Kerk

in Nederland liefhebben, en om haren vrede bidden, van 1. BOUMAN, Lidmaat der Hervormde Gemeente en gewezen Medelid der laatstgenoemde Synode. Te Utrecht, bij J. G. van Terveen en Zoon. 1842. In gr. 8vo. 106 bl. f :-90. Om den wil van het sterke contrast voegen wij beide bovenstaande stukjes van den dag naast elkander. Schoon het eerste tot Godgeleerden van beroep, het tweede tot lecken moge gerigt zijn, behandelen beide hetzelfde onderwerp, het Synodaal besluit van 18 Julij 1842. Beide zijn van mannen afkomstig, beroemd in onze kerk, door de hooge plaats, hun aangewezen, (de nederige Prof. BouMAN, zich Lidmaat der Hervormde Gemeente noemende, zal daarmede toch wel nict ontkennen, dat hij nog Hoogleeraar is) beroemd door algemeen erkende geleerdheid , eerwaardig bij ieder, die hen kent, door echt Christelijke gemoedelijkheid en naauwgezetheid. En echter, welk een verschil! De Hoogleeraar BOUMAN wil behouden, de Hoogleeraar De GROOT wil ontwikkelen. De eerste geeft

zooveel mogelijk toe aan de klagende partij; de tweede · verzet zich mannelijk tegen hare eischen. De eerste wil de gemoedelijke lezers winnen, door acht bladzijden teksten uit het O. cn N. V., met groole Duilsche letters gedrukt,

hun ter ernstige overweging aan te bevelen; de tweede heeft matta. X: 21—27 ter ridderlijke zinspreuk gekozen. De eerste zit (bladz. 19) in den eenzamen nacht te schrijven; de tweede spreekt bij het openen zijner lessen, derhalve waarschijnlijk in den voormiddag. De een erkent, dat er aanstoot gegeven is en ergernis, en karakteriseert als leerstukken van dien aard, duidelijk genoeg, wat in de Groningsche school voorgedragen wordt (b. v. bladz. 30); de ander meent, dat juist bij eene rigting als de zijne de Christelijke leer het meest wordt gehandhaafd. De een spreekt van » de breuke Sions, tot welker heeling het hem aan wijsheid en kracht ontbreekt, en van het geestelijke Jeruzalem"; de ander van de ontwikkeling der Nederlandsche Hervormde Kerk tot haar ideaal, om cene meer en meer Christelijke te worden. De eerste integendeel noemt (bl. 33) het aandringen op die ontwikkeling raauwe vrijheidskreten, die uit de treurigste tijden onzer burgerlijke verdeeldheid ontleend schenen, en kenmerkt zijn standpunt (bladz. 46) als het streng Hervormde. En waar eindelijk de laatste verklaart, dat hij, hoe ongunstig men ook zijne vrijzinnige toespraak moge opvalten, niet zal ophouden den goeden strijd des geloofs rustig te strijden, en voort te gaan op den ingeslagen weg, op de gewone wijze en alsof er niets ware gebeurd, biedt de cerste (wij zouden bijna zeggen in cene vlaag van hopeloosheid) zichzelven aan, om als offer te vallen van den partijhaat en de gegevene ergernissen, daar toch, van wege zijne zwakke gezondheid en middelmatige geestvermogens, de Kerk niet veel aan hem verliezen zou. Wij hadden den Hoogleeraar BOUman altijd als een' man van onbegrijpelijk groote geleerdheid hooren roemen, schoon hij voor het Publiek noegzaam altijd het stilzwijgen bewaarde: het smart ons uit 's mans eigene bekentenis (en wie kan hem beter beoordeelen, dan hij zichzelven ?) het tegendeel te moeten vernemen: Doch genoeg, om aan het publiek de tegenovergestelde rigting dezer beide geschriften kenbaar te maken. De lezer oordeele zelf! De tijd zal moeten leeren, welke der beide rigtingen de meeste vruchten draagt voor

ge

de wetenschap en het Protestantisme. Palliativen helpen slechts kort; schoon wij gaarne de goede bedoelingen huldigen van hen, die ze toedienen.

Brief aan den Hoogwelgeb. Heere P. J. BARON VAN Z UILEN

VAN NIJEVELT, over zijn laatste werkje, enz. door A. J. VAN HOUTEN, Predikant te Oosterwijk. Te Leerdam, bij

C. van Tuinen. 1842. In gr. 800. 16 bl. f :-30. Deze brochure zou ons verder geene opmerking waardig zijn, 200 zij ons niet het vernieuwde en voor elk' gematigde verblijdende bewijs gave, dat de kerkelijke onruststokers onzer dagen niet weten wat zij willen, en onderling bitter verdeeld zijn. Men weet, dat Ds. VAN HOUTEN reeds herhaalde pogingen had aangewend ter reorganisatie van ons kerk bestuur. Baron VanZUILEN integendeel had de derdrukte Sionskinderen verzekerd, dat de voorslag van VAN HOUTEN was eene nieuwe onze kerk als in een nevel uit de terte te gemoet komende en bedreigende (haalt adem, lezers !) ramp." Hiertegen verzekert nu onze Dominé, dat hij zich door niemand, al is hij ook een Baron, wil laten beleedigen. VAN ZUILEN had beweerd, dat de leden der Synode » den draak, die oude slang of Satanas genaamd wordt, die de geheele wereld verleidt, tot hun' aanvoerder en hoofd hebben." Ds. VAN HOUTEN vindt dit onchristelijk, en slaat zijn H. E. G. duchtig op de vingers. Overigens is de stijl van dit schriftje allertreurigst. Reeds de eerste zin mist haar behoorlijk slot, en de interpunctie is hoogst gebrekkig, b. v. bladz. 9, regel 17 en verv.

Tantum.

Het Koningrijk van God, naar de uitspraak van Jezus,

Luc. XVII: 20, 21. Leerrede gehouden op den 325sten gedenkdag der Kerkhervorming, door n. 8. 10EK, Predikant te Kampen. Te Kampen, bij K. van Hulst. 1842.

In gr. 8vo. 34 bl. f :- 40. De Eerw. 102k vond in de woelingen der overdrijvers onzer dagen aanleiding tot het opstellen en uitgeven dezer Leerrede, waarin hij het vrijzinnig beginsel der Hervorming

« PreviousContinue »