Page images
PDF
EPUB

waarin wij alleen het hemelhooge zouden willen missen. Maar de ongenoemde verstond blijkbaar den zin niet, en gaf ook geen' zin, als hij zegt:

Ver langs de blaauwe golven blinkend,
En dan weer achter klippen zinkend,
Schijnt het den visscher als een boot
Van eilandroover of Mainoot.

Zoo is ook des Dichters denkbeeld geheel niet uitgedrukt bl. 44 :

Wordt droefheid opgevolgd door eenzaamheid,
Klein is de rust, die zij in 't hart verspreidt;
De ledigheid, die in den boezem huist,

Zoude elken schok zelfs danken, die vergruist.
De tweede regel drukt flaauw uit, wat BYRON bedoelt:

Release from pain is slight relief.
Maar de twee laatste regels zeggen iets geheel anders ;

The vacant bosom's wilderness
Might thank the pang that made it less.

Liever een nieuw hartzeer voelen, dat die verlatenheid minder maakte, dan zoo verlaten te blijven! Dat is de zin, dien TEN KATE, schoon omschrijvende, beter heeft uitgedrukt :

De dorre woestenij van 't harte
Zou smachten kunnen naar 't verdriet,
Dat weder de opgedroogde bron
Der zielsgevoelens vullen kon.

Voor de twee laatste regels zou men iets anders wenschen, al ware het alleen, omdat zij eene ongelukkige uitwerking van het gebruikte beeld zijn; maar de bedoeling des Dichters is hier goed gevat. Nog één voorbeeld. Bl. 59 :

Zijt gij, geliefde, thans geheel van aard verkeerd,
Dat ge u mijn oog vertoont en toch mijn smart vermeert ?
Was ooit uw liefde zoo onmenschlijk koud ?
Ik lijd niet meer, zoo 'k u in de armen houd,
U, de eenge hoop, waar 'k ooit op heb vertrouwd!

Hier is de bedoeling geheel niet gevat, of althans geheel niet uitgedrukt:

And art thou, dearest, changed so much,
As meet my eye, yet mock my touch ?
Ah, were thy beauties e'er so cold,
I care not, so my arms enfold .
The all they ever wish'd to hold.

tweedenaar haar voelen hon ijdel niet. Zion; hij wil haar

De Gheber verbeeldt zich zijne geliefde te zien; hij wil haar omarmen, maar omvat een ijdel niet. Zijn oog ziet haar dus; maar haar voelen kan hij niet. Dat drukt hij in den tweeden regel uit. Kon hij haar slechts omarmen, al was zij (haar lijk) dan ook nog zoo koud, dat zou hem niet afschrikken.

Zooveel wat de getrouwheid der vertaling betreft. De Dichter zelf verontschuldigt met zijne zucht, om getrouw over te brengen, de harde en stroeve verzen, die er mogten zijn overgebleven. Rec. moet erkennen, dat er nog al eens enkele regels voorkomen, die zulk eene verontschuldiging behoeven. Doch over 't geheel draagt het stnk blijken van ook in dit opzigt met zorg behandeld te zijn. De groote aanmerking zou zijn, dat er nog al eens een en ander wordt gevonden, dat om het lieve rijm daar staat en er niet behoorde te staan. Zoo leest men bl. 6 een vonk van vroegere faam, waar duur moet worden gelezen; bl. 10: Gij draagt - de blijken, om op ontwijken te rijmen; t. 2. p. voorbijsnelde en toen nederdook, in strijd met den zin, om te rijmen op spook ; bl. 13:

Dat tijdstip, dat zijn lot besloot,
Wie meet de lengte, die 't hem bood?

regels, die, even als de onmiddellijk voorafgaande, hoogst gebrekkig zijn. Bl. 19: elke dingerdruk, die kleefde, om op streefde te rijmen; bl. 51 voor that love was mine, dan droeg ik steeds haar teeken; platheden vindt men elders, b. v. bl. 52: men zag haar heel zijn leven; t. 2. p. om't laag genot naar hooger kring te streven ; bl. 54 : al mijn doen en laten, enz., enz.

Al deze voorbeelden, die gemakkelijk te vermeerderen waren, vooral als men stootende regels en harde constructiën wilde opzoeken, toonen, dat de Vertaler het werktuigelijke

BOERBESCH. 1843. no. 1,

der kunst niet altijd in zijne magt heeft. Het is niet genoeg, dat hij den zin getrouwelijk wedergeeft; hij had ook meer en doorgaande moeten toezien, dat de gekozene uitdrukkingen en woorden waardig, niet te plat of te gemeenzaam waren. En dat dit niet altijd is geschied, daarvan mogen de aangehaalde regels het bewijs leveren.

Met dat al staat, onzes inziens, deze vertaling boven die van TEN KATE. Aan deze laatste laten wij gaarne het regt wedervaren, dat zij fraaijere en meer vloeijende verzen levert; maar van BYRON's dichttrant, vooral ook in dit stuk, geeft zij ons geen denkbeeld. Dat krijgt men veel meer door de getrouwe, maar niet zelden eenigzins stroeve vertaling van W. v. d. W. V. Kon deze zich eene meerdere gemakkelijkheid van versbouw eigen maken, hij zou ons uitstekende bewerkingen van vreemde dichtstukken kunnen geven; en gaarne betuigen wij onze hoop, dat hij het bij dezen eersteling niet zal laten blijven.

BREMER.

De Buren. Door FREDERIKE

II Deelen. Te Groningen, bij W. van Boekeren. 1842. In gr. 8vo.

637 bl. f 5 - 80. Wij stemmen allezins in met het gunstige oordeel van eenen Duitschen Recensent over de begaafde Schrijfster van dezen Roman, hetwelk in het voorberigt van den Vertaler is opgenomen. Anderen zullen misschien meenen, dat het te eenvoudig, te weinig piquant is; ons daarentegen bekoorde de eenvoudige huiselijkheid, de tevredenheid met kleinigheden, die alom blijkbaar uit het hart der Schrijfster in hare voordragt en stijl zijn overgestort. Die eenen Roman leest om het verrassende van ingewikkelde situatiën, of om sterke indrukken van ijselijke tooneelen, late dezen gerust liggen; zijn smaak is te overprikkeld, om hem zonder geenwen te lezen; maar die behagen schept in de geestvrucht eener talentvolle Vrouw, wier zuiver gevoel, wars van alle overspanning, zich het liefst in den huiselijken kring beweegt, die van alles partij trekt, om hare lezers in haren eenvoudigen zin te doen deelen, de zoodanige zal ongetwijfeld met ons deze Zweedsche Schrijfster zelfs lief krijgen onder het lezen. De geschiedenis overigens, in het eerst bijna zonder eenigen knoop, wordt later nog al ingewik

keld; immers genoeg, om van deze zijde te behagen. De titel is min of meer vreemd, en ware, dunkt ons, indien men het boek niet naar den hoofdpersoon Bruno Mansfeld had willen noemen, beter in dien van Moeder en Zoon veranderd. Voor jonge meisjes achten wij dezen Roman eene bijzonder nuttige lectuur. Zij zullen er in zien, wat eene vrouw eigenlijk beminnelijk maakt en aan hare bestemming doet beantwoorden.

De vertaling is zeer zuiver ; slechts een paar malen deden leef wel en vast (fast, bijna) ons aan het Duitsch denken, waaruit het boek, daarin uit het Zweedsch vertaald, is overgebragt. Jeuzelachtig (D. I, bladz. 19, geene drukfout voor beuzelachtig, althans dit woord zou kwalijk in den zin te pas komen) en monter, voor opgeruimd, (D. II, bladz. 129) zijn kleine vlekken in de uitdrukking. Dat JACOB zeven en nog eens zeven jaren om Rebecca zou hebben gediend, is (D. II, blad. 204) een klein bokje, hetwelk wij niet eens aangewezen zouden hebben, indien wij wezenlijke aanmerkingen op deze boekdeelen gehad hadden.

Vaderlandsch Leesmuseum, voor aankomende en volwassene

Jongelingen en Meisjes. Opengesteld door eenige Vrienden der Geschiedenis en Letteren, onder Redactie van G. ENGELBERTS GERRITS. Met Platen. Te Amsterdam, bij Weytingh en van der Haart. (Zonder Jaartal.) In 800. VII en 259 bl. f 3 - :

Het doel en de strekking van dit werkje wordt, in het Voorberigt, door de Redactie, opgegeven. De Geschiedenis, bij voorkeur de Geschiedenis des Vaderlands, de Aardrijkskunde en Natuurlijke Historie zullen de stoffe aanbieden, om de aandacht en belangstelling te boeijen. De Zedekunde zal door aanlok kende verhalen aandringen op de gemoedelijke vervulling van alles, wat wij, als mensch en Christen, niet kunnen verzuimen, zonder ons duurzaam geluk op het spel te zetten. In hoeverre nu, dit de voornaamste grondslagen uitmakende, waarop het gebouw van dit Leesmuseum rusten zal, de voorkomende stukken, uit de opgegevene vakken genomen, hieraan beantwoorden, blijkt uit de inhoudsopgave, voor het werkje geplaatst. Alles, in dezelve vermeld, is geschikt, om het doel en de strekking, die zich de Redactie met de uitgave voorstelt, te bereiken: vele bijzonderheden, onze geschiedenis, de zeden en gewoonten onzer voorvaderen betreffende, worden hier, naar aanleiding van het geleverde uit van METEREN, VAN WIJN, VAN BERKIEY, ALKEMADE, SCIELTena en anderen, aangetroffen. Geschieden zedekundige verhalen worden hier geleverd; en de keus, die de Redactie uit den voorraad, bij vroegere en latere Schrijvers voorhanden, gedaan heeft, verdient lof. Bij sommige stukjes worden de namen der Schrijvers vermeld ; bij andere worden zij niet opgegeven. Sommige stukjes zijn in hun geheel overgenomen; andere zijn bij wijze van uittreksel geleverd. Dat dier Echtgenooten van Tooverij beschuldigd, en waarvan de Redactie hier de bijzonderheden mededeelt, trof Rec. aan in de Beschrijving van Oudewater; in welke Beschrijving wij nog onder de Leges, hier niet aangeteekend, vinden opgegeven 12 stuivers voor de vrouw, die de van tooverij beschuldigde vrouwen, vóór dat zij gewogen werden, moest ontkleeden. (Zie Beschrijving der Stad Oudewater, Delft 1747.) Indien men misschien, kieschheidshalve, gemeend heeft van dezen post niet te moeten gewagen, dan had men in den tekst ook van de handeling geene melding moeten maken : de vrouw, die dit werk verrigtte, was eene Sage-femme.

Wanneer men in dit Leesmuseum wenscht voort te gaan met Poëzij te leveren, dan zorge de Redactie, dat zij stukjes geve niet zoo gerekt als dat, getiteld: de gevolgen van het spel. Nooit hebben wij van den Dichter A. A. WOESTIOPF iets gelezen; maar coupletten als deze:

Uw broeder, die u teêr bemint,

Is brenger van den brief,
En van het nevensgaande goud;

Hij heeft u ook zoo lief.
Zijn beneden het peil van alle dichterlijke waarde.

Met het vers zoude Rec. echter nog eenigzins meer vrede hebben dan met sommige der steendrukjes, die het boekje versieren (men leze ontsieren.) De Stichters Enkhuyzer Almanak levert ze, in verhouding, veel beter. Vele der hier voorkomende zijn eene schande voor den tijd, waarin de Lithographie, ook voor dergelijke werkjes, zulke bevallige,

« PreviousContinue »