Page images
PDF
EPUB

droo m is, moet

zaal, 3) de werkzaamheden en 4) de lotgevallen van hetzelve. Voor 1) zoekt hij de kracht van zijn bewijs" in a) de soort der leden, (niet veelsoortig, maar van ééne soort, » allen volkomen gelijk, als allen verlangende naar onderlinge onderwijzing en dorstende naar vermeerdering van kennis en veredeling van smaak”) b) het getal, (• dat mag, zal het gehalte niet verliezen, niet groot zijn, moet klein wezen;" hetgeen echter niet belet, dat de Spreker » eerder reden meent te hebben, om," bij vergelijking met de bevolking van Arnhem, szich over de grootte van het cijfer te verheugen, dan reden, om zich over deszelfs onbelangrijkheid te bedroeven'') c) het geslacht (d. i. alleen mannen, geene vrouwen, want ► de gestrengheid van het betoog, waaraan men op die plaats gewoon is, moet voor den verfijnden smaak der laatste te droog, het onvermoeide van het onderzoek, waarmede men zich daar bezig houdt, voor haren levendigen geest vervelend schijnen;" terwijl zij door haar bijzijn, bij de zwakheid der leden, eene voor letteren en wetenschappen gevaarlijke behaagzucht zouden opwekken, en de werkzaamheden spoedig zouden doen ontaarden.”') Onder 2) vernemen wij iets wegens het gebouw, waarin de vergaderingen des Genootschaps gehouden worden. Dit gebouw was oorspronkelijk een klooster, daarna een gasthuis, en bevat nu eene armenschool, eene werkplaats van behoeftigen, eene kerk, (?) waar , het gezuiverde Christendom, ofschoon dan ook in eene taal, Gode zij dank ! aan Nederland vreemd (Engelsch, Hoogduitsch of Fransch ?) gepredikt wordt," en de genoemde vergaderzaal. De betoogkracht van dit deel schijnt daarin te liggen, dat die zaal naar de behoefte van den werkkring des Genootschaps is ingerigt, en dat, ofschoon de mode geheel den aardbodem aan zich onderworpen moge achten en haren schepter over millioenen slaven zwaaijen, hier de gezegende plek is, waar zij geenen enkelen aanbidder vindt en hare grillige wispelturigheden worden geweerd. Slechts ééne verandering is er aangebragt, die als wezenlijke verbetering mag worden geroemd, en tot bewijs van de vermeerderde verlichting der leden mag gelden; te weten: eene enkele groote, maar donker licht verspreidende lamp, is door vele, helder lichtende lampen vervangen." Het derde punt maakt ons bekend met de werkzaamheden van het Genootschap, of liever de Spreker zegt ons vooraf kortelijk, wat de leden niet gedaan hebben en niet doen, (een betoogtrant, waarvan de Heer de

KEMPENAAR bijzonder veel schijnt te houden) om ons vervolgens een even kort overzigt te geven van de vakken, welke zij al beoefenen. Bij deze opgave mist Rec., tot zijne . verwondering, redeneerkunde en taalstudie. De lotgevallen van het Genootschap geven den Redenaar in de 4de plaats aauleiding, om aan te toonen, dat » juist het onveranderde voortduren, juist de gelijkmatige tred, juist het onwankelbare bestaan van hetzelve, op deze veranderlijke wereld, in deze woelige maatschappij, in dit wispelturig tijdvak en onder onstandvastige menschen, het alles afdoende blijk oplevert van de uitnemendheid der vereeniging en van het edelaardige der vijftigjarige bemoeijingen. Hoe men daar buiten ook verdeeld was: hier bleef men eensgezind.” De Spreker schetst de staatkundige omkeeringen in ons Vaderland, sedert het slaken van den federativen band der Vereenigde Provinciën tot op onze dagen, en besluit met te zeggen: „Bij en onder dat alles, en in het midden van al dat afbreken, opbouwen, vernietigen, herstellen, verscheuren, weder zamenbinden, wegwerpen, wederopvatten – en wat niet al? - bleef dit Genootschap ongedeerd en rustig staan.”

Rec. heeft het beloop van deze Redevoering in het bovenstaande getrouwelijk, veelal met de eigene woorden van den Spreker, opgegeven. Men kan er uit zien, dat de Heer DE KEMPENAAR zijn onderwerp wel tot in bijzonderheden doordacht heeft; of hij echter langs dien weg tot eene heldere en bondige behandeling gekomen is: hierover staat Rec. eenigzins in twijfel. De eigenlijke zenuw van het betoog, vooral het verband van het eerste en tweede deel, is voor hem eenigzins verborgen gebleven; maar welligt heeft de Spreker ook hier, even als in het eerste deel, meer door schilderen dan door redeneren zijn doel willen bereiken.

De stijl is in eene Redevoering, inzonderheid in eene Feestrede, althans naar het oordeel van den Rec., eene niet geheel onverschillige zaak, ja zelfs nog al iets van belang. Die van den Heer DE KEMPENAAR kenmerkt zich minder door vastheid, dan wel door verscheidenheid. Men zou uit de Redevoering eene aardige bloemlezing kunnen maken van gemeenzamė, gevoelige, luimige, schilderachtige, bloemrijke, en ook van hoogernstige passages. Tot deze laatste brengt Rec. de waarlijk fraaije plaats, (bl. 3), waar de Redenaar over de afgestorvene leden, met name over den voortreffelijken DONKER CURTIUS, eens de ziel en de steun van het

Genootschap, met warmte uitweidt, de teekening van den niet waren, maar veronderstelden toestand onzes Vaderlands, waarvan hij de gebrekkige staatsinrigting, de overmoedige of wankelmoedige regering, de ledige kisten of uitgeputte krachten, of ook de ontevredenheid, onder de beste standen luide uitgesproken,” regt con amore beschrijft (bl. 11). Het ontbreekt ook niet aan vernuftige zetten en scherpe uitvallen (de Duitschers noemen ze Seitenhiebe) zoo bijzonder geschikt, om eene aangename hilariteit onder de toehoorders op te wekken, Wij vinden daarvan onder andere eene schoone proeve op bl. 27 en 28, waar hij de geleerde Maatschappijen, die er vermaak in vinden om openbare vergaderingen te houden, prijsvragen uit te schrijven en boekerijen aan te leggen en te vergrooten en meer dergelijke zotheden begaan, aardig uitlucht, en aan de auteurs, » die de drukpersen laten zweeten, om de ontelbare boekdeelen, die jaarlijks het licht zien of op den zolder van den boekdrukker verbeiden” (hoe gepast bij den overvloed van oorspronkelijke schrijvers in ons Vaderland !) ter degen de les leest, door hun te zeggen, dat de leden van het Genootschap: Prodesse conamur te Arnhem wijzer zijn en niet alzoo doen. Op bl. 27 komt eene passage voor (mede als proeve van stijl niet onbelangrijk) die aldus luidt: » Wij hielden geene openbare vergaderingen, om onze talenten, door ons zelve opgevijzeld, voor anderen te doen schitteren (regt bescheiden en nederig voorwaar !) en het viel ons niet te beurt aan eene Koninklijke verveling het aanzijn te geven." Rec. wist met deze plaats in het eerst volstrekt geen' weg, en dacht in zijne eenvoudigheid, het epitheton Koninklijk (op zich zelf wel wat vreemd, maar in den stijl van deze Redevoering toch zoo vreemd niet) voor zeer groot te moeten nemen, zonder een' dieperen zin daarin te vermoeden. Een van zijne goede vrienden, die de zonderlinge gewoonte heeft, om de Arnhemsche courant gezet en tot het einde toe uit te lezen, heeft hem echter op den weg geholpen. Deze heeft hem namelijk gezegd, dat die courant in het jaar 1841, bij het berigt van de vereenigde zitting der vier klassen van het Koninklijk Nederlandsche Instituut, in tegenwoordigheid des Konings gehouden, waarbij de leden van dat geleerde ligchaam natuurlijk hun best hebben gedaan, aan hare lezers verteld heeft, dat 2. M. zich toen derwijze verveeld had, dat » Koninklijke verveling" voor zeer groote, ja de grootste verveling" na dien tijd tot een spreek

woord geworden was. Rec. moet bekennen, dat deze inlichtirg hem van groote dienst geweest is, om het fijne vernuft, in de bovenstaande passage verborgen, volkomen te waarderen en te genieten. Hij verheugt zich daarom, thans gelegenheid te hebben, de lezers van dit Maandwerk, die toch ook wel de hier aangekondigde Redevoering zullen lezen, deelgenooten daarvan te maken. Intusschen laat hij het gaarne aan den Heer DE KEMPENA AR over, om te beoordeelen, of zijn vriend de vernuftige toespeling goed gevat heeft, terwijl hij 2. W. E. alleen om verschooning vraagt, dat hij in de onaangename noodzakelijkheid geweest is, om zijnen naam met een artikel in de Arnhemsche courant in verband te brengen.

Om den Heer DE KEMPENA AR te toonen, dat Rec. zijnen arbeid met de verschuldigde oplettendheid gelezen heeft, zal hij eenige kleine onnaauwkeurigheden van stijl en taal, die hem, bij eene lastige kieskeurigheid, een weinig gehinderd hebben, kortelijk aanstippen. De keuze is hier nog al moeijelijk; daarom zal hij zich alleen tot eenige weinige bepalen, en enkele passages opgeven, zonder gemotiveerde aanmerkingen er bij te voegen. Een gebroken gemoed" bl. 2. Eene bloemlezing van keurige plaatsen (uit de schriften van CICERO) te zamen gegaard, en met hooge vooringenomenheid te zamen gevlochten, met de opgerakelde geestdrift der jongelingsjaren op hoogdravenden toon mededeelen" bl. 5. Wat dan besloten en dàn gehandeld wordt, kan niet dan dwaas, verderfelijk en snood wezen" bl. 12. De mensch (die zich aan zijne driften overgeeft) is gelijk aan het uitgestrekte meer. Effen en glad draagt het wiegende daarheen de kiel. Steekt de wind op, dan krullen de golven, en het vaartuig, geschommeld, krijgt snelleren gang. Barst de orkaan los, dan worden hemelhooge bergen en peillooze diepten in dat water geboren, en het vaartuig geslingerd in uitersten nood. Blaast de snerpende oostewind met verstijvende koude, dan stollen die golven tot onbewegelijk ijs. En laat de lente haren adem over dat spiegelglad glijden, of koesteren de zonnestralen de ijzerharde baan, dan worden de kluisters der wateren verbroken, en het nog onlangs vastgevrozen vaartnig zet zijne reize weder voort;" bl. 13. Rec. moet tot zijne schande bekennen, dat het hem niet heeft mogen gelukken, zelfs met eenige inspanning, de juistheid en fraaiheid van dit beeld (aan een meer, of aan de zee ontleend?) te vatten.

Gij weet het, dat het klnizenaarsleven de natuurstaat van den mensch niet oplevert," bl. 14. Roept die verbindtenissen voor uw onpartijdig regtergestoelte, weegt ieder derzelven, en beslist dan," bl. 15. Banden, die wijsheid, waarheid en regt hebben geëikt," bl. 17. , Wat de tanden des tijds wederstaat en het sneeuw der jaren draagt," bl. 18. Zich verheugen, meer dan zingenut te smaken te vinden," bl. 19. In dit licht geplaatst, beweer ik, dat het vijftigjarig bestaan van het Genootschap het bewijs oplevert,” bl. 20. , Vit welke standen der maatschappij deze onderscheidene leden herwaarts zijn opgeklommen,” bl. 21. , De werkkring, dien wij ons in deze oefenschole ter taak hebben gekozen," bl. 24. Een welgemeend welkom toeblikken," bl. 26. Gedenk teekenen aantreffen van gewigtige voorvallen, inwendig op haar bed (van eene beek) of nitwendig aan hare boorden," bl. 30. Het vijftigjarig bea staan van het Genootschap bewijst, dat de getrouwe beoefening der letteren en wetenschappen de vatbaarheid voor die weldaad en het waardig zijn, dat men dezelve geniete, in den mensch bewaart, en zulk een gemeenebest met de daad staande houdt," bl. 31. Aan het slot roept de Spreker zijne toehoorders op, om » dit kleinood (het Genoolschap) zorgvuldig te bewaren, ijverig te beschermen, belangstellend te drenken, opdat het nog lang dezen beemd (Arnhem) tot sieraad verstrekke, door zijnen luister voortdurend oog en hart streele, en opdat het, door hen in het leven gehouden, na vijfentwintig jaren, op deze zelfde plaats, nog vele dankbare hoogschatters vinde," bl. 34. Gaarne vereenigt Rec, zich met deze hartelijke uitboezeming voor Arnhems verdienstelijk Genootschap: PRODESSE CONATUR.

Theoretisch-practische und vergleichende Holländische Sprach

lehre für Deutsche. Zum Gebrauch in Schulen und für den Selbstunterricht, von Dr, J. VAN JAARSVELDT.

Amsterdam, J. Müller. 1838. gr. 8vo. VI, 300 s. f 1-80.

Beoefenende en vergelijkende Hoogduitsche Spraakkunst, ten

gebruike roor Nederlanders, Door Dr. J. VAN JAARSVELDT, Te Amsterdam, bij J. Müller, 1841. In gr. 8ro IV, 276 bl. f 1 - 60.

« PreviousContinue »