Page images
PDF
EPUB

den Heer LUTTENBERG gemaakt te zijn. Men ziet toch, bij eene naauwkeurige overweging van dezelve, dat zij minder betrekking hebben tot hetgeen in de vermelde Proere werkelijk geleverd is, dan wel, dat zij zich bepalen tot onderwerpen, die daarin, naar de meening des Schrijvers, of niet — of niet genoegzaam zijn behandeld geworden, en de voorname inhoud van dit stukje komt, beknoptelijk zamengevat, hierop neder.

De Schrijver, zich op een ander standpunt plaatsende, dan dat, waarvan de Tieer LUTTENBERG uitging, en geen bepaald gewag makende van den sedelijken toestand der lagere volksklassen, vestigt, in dit zijn geschrijf, meer het oog op datgeen, hetwelk aan de materiele welvaart in den weg staat. Hij brengt hiertoe, inzonderheid, het niet in acht nemen van de lessen der volkshuishoudkunde ; de hooge belastingen; -- de bevordering van den eenen tak van nijderheid ten nadeele van eenen anderen, en de drukking van eenig artikel van landbouw, ten behoere ran fabrieken, of wel omgekeerd; - het bestaan van het zoogenaamd onvrij territoir, met al deszelfs rampspoedige gerolgen; - den smokkelhandel; - de plaatselijke octrooijen en belastingen; het scheppen van takken van nijverheid, dáár, waar deze, volgens den natuurlijken loop der dingen, niet zouden zijn gekomen; - dusgenoemde beschermende wetten ; waardoor sommige inlandsche fabrieken en eenige weinige fabriekeurs zijn begunstigd, enz. Ten slotte komt de Schrijver terug op de stelling: dat men het armwezen (de armoede ?) in een land en deszelfs ware oorzaken en middelen van herstel of verbetering niet kan beoordeelen, wanneer men onbekend is met de lessen der volkshuishoudkunde, en dat de beoefening dezer wetenschap dus eene eerste vereischte is, wil men de armoede doen verminderen; - terwijl hij, aan het einde, met weinige woorden, nog gewaagt van het verderfelijke voor de zeden en de welvaart der zoogenaamde Kon. Ned. Loterij.

Men ontwaart, uit deze beknopte inhoudsopgave, dat in dit geschrift onderwerpen behandeld worden, die in de bereids genoemde Proeve of geheel niet – of slechts als ter loops zijn aangeroerd; en alhoewel de Schrijver verklaart zulks geenszins te bedoelen, zoo kan het door hem ontwikkelde zeer gevoegelijk tot aanvulling dienen van dat deel der Proere, waarin de oorzaken der armoede worden opge

geven. Bedriegen wij ons niet, dan zullen de beide achtingwaardige Schrijvers, alhoewel zij van een verschillend standpunt zijn uitgegaan, in elkanders denkbeelden en begrippen, gereedelijk kunnen berusten.

Rec. had echter gewenscht, dat, even gelijk de Heer LOTTENBERG, bij het opsporen van de oorzaken der armoede, tevens eenige middelen tot herstel heeft opgegeven – 200 ook de Heer GREVELInk in de beschouwing van zoodanige middelen had kunnen en gelieven te treden, die men hier ongaarne mist, en waarbij men zich in zijne verwachting eenigzins vindt teleurgesteld. De Schrijver bepaalt ons toch alleen bij den aard der kwaal, in zoo verre dezelve de materiéle welvaart ondermijnt, en hij schetst ons denzelven, onzes erachtens, naar waarheid; maar, wanneer hij, van de belastingen gewagende, zegt: » het zal wel eren belangrijk zijn, dat deze lasten zoo spoedig mogelijk worden opgeheven,en er op laat volgen: »wij laten de beantwoording dezer oraag aan lieden van meerdere kennis en zeggen alleen : wij gelooven het wel," enz. dan is het er verre af, dat de zaak zelve, door dit antwoord, helderder is geworden. Wij erkennen echter, dat de Schrijver bij de keuze van het standpunt, waarop hij zich plaatste, zich op een terrein begaf, hetwelk, in menig opzigt, uitsluitend wordt betreden door hen, die belast zijn met de zorg voor de groote huishouding van den Staat; en het werd alzoo een moeijelijk en teeder punt, hierbij in eene nadere ontwikkeling van denkbeelden te treden. Zien wij wèl, dan was onthouding hier meest raadzaam.

De Proere behandelt de groote zaak uit een ander gezigtspunt; maar daarom was de Heer LUTTENBERG meer vrij in het onderzoek van de middelen tot herstel, nadat hij den aard der kwaal en derzelver oorzaken, uit een bepaald oogpunt, had opgegeven; en in dit opzigt mag zijn arbeid als vollediger beschouwd worden. Intusschen, en alhoewel de bedenkingen des Heeren GREVELINK in verband staan met de Staathuishoudkunde in het algemeen, zoo is derzelver mededeeling als belangrijk te beschouwen, vooral in eenen tijd, waarin de Regering des lands den toestand der verarmde volksklassen tot een bepaald voorwerp van onderzoek gemaakt heeft, en het is geenszins overtollig te achten, dat de oorzaken der toenemende armoede, van meer dan ééne zijde, een punt van overweging uitmaken. De zaak is van een te overwegend belang, dan dat men dezelve met onverschilligheid zou mogen beschouwen; en het wordt langer zoo meer noodzakelijk, dat men handen aan het werk sla, om het heerschende kwaad te stuiten, eer het te laat zal zijn.

Rec. vermeent het er voor te mogen houden, dat, wanneer bekwame en desbevoegde mannen de handen ineenslaan, ten einde, in vereeniging met de regering en de wettiglijk bestaande armeninstellingen, de groote zaak ernstig ter harte te nemen, de gevaren, die het vaderland bedreigen, door doeltreffende middelen, zullen kunnen worden afgewend, en er, onder den Goddelijken zegen, veel goeds zal kunnen tot stand komen. Daartoe mogen de pogingen van de Heeren LUTTENBERG en GREVELINK en zoo vele anderen, die het wel met het vaderland meenen, met eenen gelukkigen uitslag bekroond worden!

Het Kasteel Burrton, of de gestrafte Booswicht. Naar het

Hoogduitsch van C IARTOTTE BIRCI - Pfeiffer. 11 Deelen. Te Amsterdam, bij Ipenbuur en van Seldam. In gr. 8vo. 259, 296 bl. f 5 - 70.

De ook hier te lande als begaafde tragische tooneelkunstenares gunstig bekende CHARLOTTE BIRCI-PFEIFFER schildert in dezen Roman tooneelen uit de Engelsche groote wereld; zij doet dat met fijn gevoel, en inzonderheid met eene buitengewoon levendige verbeelding. Nergens kan men op de minste langdradigheid stooten, want alles is vol leven en voorvallen, zonder dat de laatste elkanderen op eene vermoeijende wijze verdringen. Het eene vloeit geleidelijk uit het andere voort, en gedurig trekt eene nieuwe situatie de aandacht en spant de belangstelling. Hoe meer men de ontknooping nadert, des te minder kan men het boek uit de, hand leggen. Het geheel is – dit valt niet te ontkennen, niet zeer waarschijnlijk, en toch is er in de bijzondere deelen weinig, waaraan men onwaarschijnlijkheid kan te last leggen. Het werk is, dunkt ons, juist wat een Roman zijn moet, eene vereeniging van zeer gebeurlijke voorvallen, verbonden tot een geheel, dat wel niet gansch onmogelijk is, maar toch overtreft datgene, hetwelk men gewoonlijk in het menschelijke leven ziet plaats hebben ; verhaald op eene levendige, de aandacht boeijende wijze. Zedelijke leering

zit er juist niet veel in, maar, in plaats van zulks als eene aanmerking te laten gelden, zeggen wij veeleer, met die zedelijke leeringen in een' Roman minder hoog te loopen. Men leest zulke voortbrengselen om zich aangenaam te onderhouden, niet om hier en daar op pligten of op verkeerdheden opzettelijk te worden opmerkzaam gemaakt. Geeft het verhaal van zelf stof tot zedelijk nadenken, het is er des te beter om, maar gepousscerd wenschen wij het niet, en zijn tevreden, wanneer maar geene denk beelden, die tegen eene zuivere zedekunde strijden, er door opgewekt worden. En daartegen is hier de fijne beschaving der Schrijfster, die zich in elken regel getrouw blijst, genoegzaam borg. De vrouwelijke hoofdpersoon iseen alleredelst meisje, welligt een ideaal, dat in de wezentlijke wereld geen wedergade vindt; maar dat zij zoo: het is geene geschiedenis, maar een Roman, en reeds daardoor een ideaal. Kortom, wij achten dit voortbrengsel eene gunstige uitzondering op de menigte van zoutelooze vertaalde Romans, en lazen er in langen tijd geen, die zoo onderhoudend, wij behoorden te zeggen wegslepend, geschreven 'is. Moesten wij enkele aanmerkingen maken, het zou welligt zijn, dat liefde, hopelooze liefde eene te sterke rol speelt; dat de brief van Fleurette aan Emilia, D. II, bladz. 72, al te duidelijk voor de bedoeling, den dood der schrijfster doet voorkomen als eene reis naar een afgelegen land; zij wilde juist het denkbeeld van haren dood verbergen; een kind vindt het echter in den brief. Voorts is het min of meer onnatuurlijk, dat Thoms de band van Fleurette niet aanneemt. Waarom deed hij het niet? Die vraag blijft onbeantwoord. Ook strijdt het tegen de waarschijnlijkheid, dat men eene op den dood gevangene vergunt, eene schaar bij zich te hebben, D. II,

Het slot vołdoet ons evenmin, als den Vertaler. Hij meende zich de vrijheid der verandering niet te mogen veroorloven. Rec. zou den lust daartoe moeijelijk hebben kunnen wederstaan, en de vertaling een paar bladzijden vroeger besloten hebben, D. II, bladz. 293, met de woorden: »Toen zonk zij voor de eerste maal aan de borst van den man, die bemind was, zoo als slechts eene ziel als die van Fleurelle beminnen kon." Gemakkelijk hadde dan in een naberigt met een woord kunnen gezegd zijn, hoe de Schrijfster de geschiedenis laat eindigen.

De titel is min of meer vreemd gekozen. Het kasteel

bladz. 76,

enz.

Burrton wordt eerst over de helft van het tweede Deel genoemd, en is niets dan de plaats, waar de ontknooping voorvalt. Waar de Vertaler die koddige tooneelen zoekt, van welke hij in het voorberigt spreekt, begrijpen wij niet, en hebben nergens zoo iets gevonden ; of het zou het gesprek moeten zijn van Thoms met den Advokaat Milton, maar dit heeft niets koddigs.

Het vignet is geheel mislukt. De honding van Fontraine dengt in het geheel niet, en die van Fleurette is geheel in strijd met het verhaal, dat zij in de armen van Faruing zonk.” De pistool, met welke deze zich doorschiet, is ook niet te zien. En de kleeding der mannen gelijkt naar die der edellieden uit de middeleeuwen, niet van den tegenwoordigen tijd.

De Vertaler, die zijne taak uitmuntend heeft verrigt, plaatst hier en daar aanteekeningen, die ten deele gepast, maar ook ten deele zeer overtollig zijn. Tot de laatsten rekenen wij onder anderen D. II, bladz. 246, wat chaos beteekent; zoo zijn er meerderen. Het portier nederlaten, D. II, bladz. 181, is niet goed gezegd; sorg van zijne plannen te zien mislukken (vrees voor het mislukken zijner plannen) D. I, bladz. 83, een Germanismus ; genoten voor geweten, D. II, bladz. 137, eene drukfout.

De uitvoering is zeer net.

De Bedevaartgangers. Door de Schrijfster van Te laat. Te

Haarlem, bij de Erven F. Bohn. In gr. 8vo. 320 bl. f 3 - 20.

Dikwijls veroorzaakt eene gunstige ontvangst en de lof, die te beurt valt aan eerstelingen, achteloosheid en gebrek aan achting voor het publiek bij de schrijvers, en doen het hen al spoedig wagen, onbekookte stukken aan te bieden. Des te aangenamer was het ons daarom, onder het lezen den vooruitgang op te merken, die er plaats heeft in de volmaking van het talent der begaafde Schrijfster. Te laat en Elise verwierven haar goedkeuring en aanmoediging, om op de ingetredene loopbaan voort te gaan; en de thans aangekondigde roman stelt de goede verwachting, die wij hadden van eene nieuwe lettervrucht der Schrijfster, in geenen deele te leur. De afwisseling van het tooneel der verhaalde

« PreviousContinue »