Page images
PDF
EPUB

» veel personen, als men goedvinden zal. Deze zal de » overeenkomst der kerkleer met de H. S. onderzoeken,” enz. enz. Het oordeel zij den Lezer verbleven, of zulk een Synodus Laicorum mogelijk of doelmatig zou zijn, en in hoever de Schrijver dezer brochure verdienen zou, er mede in te zitten. Wij voor ons hebben niets tegen dezen maatregel, dan alleen, dat hij tot algemeen genoegen onuitvoerlijk zijn en tot nog grooter verwarring leiden zou.

De Christelijke Moeder bij het verlies van een harer Kinderen. Te Amsterdam, bij C. J. Borleffs. 1842. In kl. 8vo. 28 bl. f: -25.

Dit stukje, hetwelk door eenen Christelijken huisvader bij den dood van een dochtertje voor zijne echtgenoote werd opgesteld, verschijnt in het licht, omdat men oordeelde, dat het algemeen nut kon stichten bij dergelijke verliezen. En dat oordeelen wij ook. Er heerscht een zoo hoogst eenvoudige, roerende, toch godsdienstig-verstandige toon in, die, uit het hart komende, tot het hart spreekt, dat wij niet van ons zouden kunnen verkrijgen, het niet, met de ruimste aanprijzing, hartelijk aan te bevelen aan huisgezinnen, die treuren om een kind, dat door den hemelschen Opvoeder tot Hem werd genomen.

Christelijke Bladen tot bevordering van het Godsrijk, uitgegeven door M. A. AM sho FF, Predikant te Groningen. Jaargang 1842. Te Groningen, bij R. J. Schierbeek, Jr. In kl. 8vo. 68 bl. f: -40.

Predikt het Euangelium allen creaturen ! Iets omtrent het Zendelingswezen, hoofdzakelijk getrokken uit de Christelijke Bladen tot bevordering van het Godsrijk, uitgegeven door denzelfden. Aldaar bij denzelfden. In kl. 8vo. 16 bl. f: -05.

Van de Christelijke Bladen is in 1841 niets meer uitgekomen, dan het toen in ons N°. IX, bl. 368-370, aangekondigde, dat dus bezwaarlijk een jaargang heeten kan, waardoor men immers doorgaans eene reeks van Stukken verstaat, die in den gang of loop van hetzelfde jaar uitkomen. Hoe dit zij, de Schrijver en Verzamelaar geest thans weder een dergelijk boekje, dat de volgende bladen van denzelfden aard en geest in zich bevat: 1. Iets over de geestelijke ellende eener ongelukkige volksmenigte in ons midden, dat is in de stad Groningen, zoo als men er in andere, vooral in groote steden zeker ook vinden zal. De door zijn Eerw. in deze opgedane ervaring is gewis treurig, maar dit is dan nu ook de donkere schaduwzijde van het godsdienstig leven aldaar: doch indien men nu eens al degenen, bij welke het iets, bij welke het veel, bij welke het zeer veel beter, bij welke het voortreffelijk is, tegenoverstellen kon, zou men dan wel niet eene heldere lichtzijde te zien krijgen, waarover men zich, bij alle menschelijk gebrek en onvolkomenheid, verblijden zou? Maar het veelvuldige stille goede, dat in het midden ligt, wordt dikwijls niet opgemerkt, ja kan het menigmaal niet worden, want het blinkt of springt niet in het oog: de uitersten alleen trekken de aandacht. 2. Laat ze beiden zamen opwassen tot den oogst. Eigenlijk eene stichtelijke Leerrede over deze woorden. – 3. Iets over de voortdurend hervormende kracht des Christendoms, zoo als die nog heden in ons midden werkt, door w. G. v AN DER zwAAG, Predikant te Dronrijp. Over het geheel, even als het vorige, een van de beste dezer Bladen. – Van mindere gehalte, ofschoon welgemeend, zijn de vier volgende: 4. Over Gods genade, door J. J. sw 1eRs, Predikant te Havelte. - 5. De kranke vrouw. Het was al eene zonderlinge manier van den Leeraar, die bij haar geroepen werd, haar, op hare algemeene klagt over bare zondigheid, eerst volgens de tien Israëlitische Geboden als 't ware de biecht af te nemen, waarop, gelijk al ligt gebeuren kan, wanneer men die tijdelijke Volkswet, als eene altijd geldende norma morum et conscientiae, ook onder het Evangelie aanneemt, het niet schuldig van de biech

14 M. A. AMS H 0 F F, CHRISTELIJKE BLADEN.

telinge volgde: gelukkig evenwel, dat de biechtvader daarop geen absolutie gaf, maar haar bij de verhevener zedelijke beginselen en eischen van de Christelijke Zedeleer bepaalde! - 6. Laatst vaarwel, om elkander hierboven weder te zien. 7. Een brief aan allen, die chR 1 stus en hunne broeders liefhebben, dat is eene uitnoodiging van het Zendelinggenootschap tot deelneming. – Tot dit laatste strekt ook het bovenstaande Predikt enz., onder N°. 2 opgegeven, waarover wij thans niets zeggen, als hebbende

hierover, t. a. p. bl. 370, reeds hetgene, dat ons op het hart lag, gezegd.

Specimen anatomico-pathologicum de vasis novis Pseudomembranarum tam arteriosis et venosis, quam lymphaticis. Auctore A. F. H. DE L'Es P1N Asse, Med. Doct. Traj. ad Rhen. apud R. Natan. 1842. 8°. m. 44 pag. f :-75.

De Schrijver begint de verhandeling over dit belangrijk onderwerp – de vorming van nieuwe vaten in de schijnvliezen (Pseudomembranae) - met eene lofspraak op de ziektekundige ontleedkunde, het geliefkoosd denkbeeld van dezen tijd. In het bijzonder roemt hij de fijnere bewerking (anotomes subtilior) en het meer doordringend onderzoek, eene vaardigheid, welke het deel van iedereen niet is. Non cuivis homini contingit adire Corinthum. Gelijk het doorgaans gaat, wanneer de verdiensten der manmen van dezen Tijd geprezen worden, worden zij gelaakt,' die vroeger geleefd hebben; eene dwaling, als men het zoo noemen zal, het gevolg van de niet behoorlijke beoefening van de geschiedenis der Geneeskunde, waardoor men niet leert zich te verplaatsen in andere en vroegere tijden. Men beoordeelt naar den tegenwoordigen maatstaf, omdat men de hulpmiddelen en den stand der wetenschap van vroegere eeuwen niet juist kan waarderen. De Schrijver gispt verder de Duitsche en de Fransche ontleedkundigen, als die de fijne inspuitingen niet genoeg

behartigen in het belang der wetenschap. (Bl. 2) Doet hij zulks bij ondervinding of van hooren zeggen? Heidelberg schijnt er, volgens bl. 9, toch eene uitzondering op te maken. Er zouden ook nog andere Musaea bij genoemd kunnen worden, welke bewijzen opleveren, dat er de prudens et subtilis impletio niet zoo geheel verwaarloosd wordt, als de Schrijver dit hier opgeeft. Inspuitingen van ziekelijk ontaarde deelen zijn zeer nuttig, maar niet altijd aan de ziektekundige kennis zoo bevorderlijk, als vooringenomenheid met één vak der wetenschap beweert. De ontsteking is door de ziektekundige ontleedkunde, volgens den Schrijver, het meest toegelicht: dit kan van de uitgangen niet gezegd worden, veel is nog onbekend, zelfs met duisternis omgeven (bl. 3). Hij zal eenig lieht over de vorming der schijnvliezen trachten te verspreiden met behulp der vele praeparaten van den Hoogleeraar sc HR o E DE R v AN De R kolk. Voor dezen arbeid, zoo als die reeds voor ons ligt, schijnt de Schrijver zeer geschikt te zijn, vooral daar hij zich als ontleedkundig teekenaar onderscheidt; eene vaardigheid, waarin slechts weinige studenten bedreven zijn, nog veel mindere zich daarop toeleggen. Veel had men van den Schrijver kunnen verwachten, maar het belang van het onderwerp schijnt ook hier aan de overhaasting opgeofferd te zijn. Het is te hopen, dat een Schrijver van zoo veel aanleg, en zoo zeer met de anatome subtilior ingenomen, nog eens op dit onderwerp zal terugkomen, en, door zich minder te haasten, meer doordachten arbeid zal mededeelen, en vooral zorg dragen, dat het drukken van zijn werk beter bezorgd, van drukfouten gezuiverd, en de regels in acht genomen worden, welke men anders gewoon is op te volgen. Dat de Ouden de schijnvliezen der longen voor banden aangezien hebben, is in hun licht vergeeflijk. Dat alle vereenigingen door schijnvliezen geschieden, is eene onbewezene stelling, gewaagd is de bepaling van het doel der schijnvliezen volgens Hope (bl. 10). De vorming van schijnvliezen op het slijmvlies is ook nog aan bedenkingen onderhevig; de gissing van eene plastische uitzweeting is meer overeenkomstig de ondervinding, al is het voortbrengsel ook geen mucus. Ook is het zoo stellig nog niet tegengesproken, dat verweeking ook niet een gevolg van ontsteking zou kunnen zijn. De bloedige stippen, waarvan de Schrijver spreekt, ziet men door het weivlies heengedrongen, wanneer men de longen naauwkeurig onderzoekt. De uitlegging van Prof. v AN DER Ko LK heldert het punt in geschil niet op. De redeneringen over het doel der schijnvliezen zijn al te verre gedreven bl. 42, 43. Zoo is ook de uitlegging, welke op bl. 44 gelezen wordt, gewaagd te noemen. Zulk eene wijze van redeneren getuige van vernuft, maar behocft nog den toets der ondervinding. Het is zeer wenschelijk, dat de Schrijver, die zoo veel aanleg heeft, dit onderwerp nog eens gezet behandele.

Over den bloedsomloop bij de menschelijke vrucht. Naar de tweede Fransche uitgaaf van G. J. MARTIN-sAINTAN GE, Ridder, Doctor bij de Geneesk. Faculteit te Parijs, enz. Te Woerden, bij C. J. van Leeuwen, Lz. In 4to. VIII en 15 bl. f 2-:

Dit boeksken schijnt eene verkorting of een uittreksel van den tweeden druk van een in het jaar 1832 voor het eerst uitgekomen werk van bovengenoemden Schrijver te zijn: Circulation du sang consideree chez le foetus de l'homme et comparativement dans les quatre classes des vertebres. Paris 1832, fol. Hij noemt het zelf in zijne voorrede een kort begrip, een gedeelte der nasporingen in het werk gesteld bij gelegenheid van het uitschrijven eener prijsvraag over den bloedsomloop bij de gewervelde dieren. De Wertaler zegt in het voorberigt, dat hij door de vertaling zijne kunstgenooten eene dienst te bewijzen hoopt. Er bestaat behoefte aan een geschrift over dit belangrijk onderwerp in onze taal. De Vertaler gevoelde deze vroeger; hij wil er nu voor anderen in voorzien. Ook hiervan gewaagde de Schrijver in de voorrede. Er is sedert voor een groot gedeelte in deze behoefte voorzien door het Handboek der

« PreviousContinue »