Page images
PDF
EPUB

slingertrek gebogen haakjen, waarmee de vereenigde koorden de schalen aan den evenaarboom ingehaakt worden." Het haakje, waaraan de gansche balans boven het zoogenoemde huisje is opgehangen, kan, dunkt ons, dan ook wel een ess genoemd worden.

Belangstelling in den arbeid des Heeren van elk gaf ons deze opmerkingen in de pen. Wij zouden die gaarne met eenige vermeerderen, maar durven niet meer ruimte, vooral niet voor een zoogenoemd vervolgwerk, vragen.

Morley Ernstein, of de drijfveren van het menschelijke hart.

Uit het Engelsch van G. P. R. JANES, Esq. III Deelen.

Te Delft, bij H. Koster. 1842. In gr. 800. 848 bl. f 8-80. Er zijn verschillende soorten van romans, naar gelange van de onderwerpen, die zij behandelen. Het minst van allen heeft Rec. op met de eigenlijk gezegde zedekundige romans, waarin de schrijver of schrijfster zich de aanprijzing van de eene of andere deugd, de waarschuwing tegen deze of gene ondeugd ten doel stelt. Gewoonlijk lijdt daaronder de aesthetische waarde van het boek te veel, om te kunnen behagen. Een roman is geen zedekundig handboek. Het gaat ook hier, gelijk het velen nieuweren treurspeldichters ging, die ook dat ongelukkige denkbeeld aankleefden, dat het treurspel eene bepaalde moréle bedoeling moest hebben, en daarom niet dan ellendige treurspelen voor den dag bragten. Even zoo zijn de meeste zoogenoemde zedekundige romans, als romans beschouwd, hoogstgebrekkige voortbrengselen, die den toets eener onpartijdige kritiek niet kunnen doorstaan, schoon het er misschien niet aan fraaije zedekundige vertoogen, aan vrome gesprekken ontbreekt.

Het spreekt van zelf, dat wij hiermede niet willen te kennen geven, dat het zedelijke in eenen roman eene onverschillige zaak is, of dat wij het onzedelijke in denzelven zouden willen aanprijzen; maar in de meeste gevallen (daar zijn uitzonderingen) houden wij het er voor, dat de voorstelling van eene bepaalde deugd of ondeugd geschiedt ten koste van de kunstwaarde van het geheele boek. Doch bet zedelijke van eenen roman behoeft ook daarin niet te liggen ; ja, wij zouden durven beweren, dat op eene andere wijze veel meer en veel beter zedelijke bedoelingen door dezelven

kunnen worden bereikt. Het is namelijk dàn, wanneer hij zich ten doel stelt, om het menschelijke karakter naar waarheid te teekenen; als de schildering van het menschelijke hart, van menschelijke neigingen, hartstogten en driften het oogmerk is, dat de romanschrijver bedoelde. Als onwillekeurig, zonder dat het met den vinger wordt aangewezen, kan de opmerkzame daaruit leeren; en er zijn weinige ernstig geschrevene boeken, waaruit zooveel menschenkennis en levenswijsheid is te leeren, als uit sommige der beste romans van vroegeren en lateren tijd.

Het boek, waarvan wij onze lezers eenig verslag moeten geven, behoort onder diegene, waarin de Schrijver zich zulk eene zedelijke bedoeling heeft voorgesteld. Het zijn de werkingen van het menschelijke hart, de strijd der hartstogten, de kamp tusschen het goede en kwade beginsel in den mensch, dien hij in zijnen Morley Ernstein wenscht af te schilderen. Het is geene denkbeeldige volkomenheid, welke hij zijnen held toekent; maar hij poogt in hem den goeden mensch te schetsen, vatbaar voor verleiding, bij wien op den eenen tijd het goede beginsel, op den anderen het kwade zegeviert, en die eenen langen en gedurigen strijd heeft te strijden, voordat het eerste het laatste geheel heeft overwonnen. Hij teekent hem, gelijk hij maar al te dikwijls de speelbal is van uitwendige omstandigheden, gelijk hij geslingerd wordt door tegenstrijdige dristen, en door den omgang met goeden of boozen ten goede of ten kwade wordt geleid. En deze schildering is waarlijk fraai en treffend, het boek de vertaling overwaardig, en allen aan te bevelen, zoowel hun, die in hunne lectuur slechts uitspanning zoeken, als hun, die ook bij hunne uitspanning iets beters en degelijkers verlangen.

De titel is in de vertaling ongelukkig gekozen. Wat hier door Drijfveren van het menschelijke hart is vertaald, heet in het oorspronkelijke Tenants of the heart, d. i. bewoners van het hart. De Schrijver stelt zich het hart als door cenen dubbelen geest bewoond voor, een goeden en een' slechten, hier den geest der ziel en den geest des vleesches genoemd. Deze uitdrukkingen zijn zeker wel wat vreemd, en klinken dat vooral ook in onze ooren; maar de bedoeling van den Schrijver daarmede en met het geheele boek is toch iets anders, dan wat op den Hollandschen titel door het woord drijfveren wordt uitgedrukt. De Schrijver heeft ge

lijk met zijne stelling; het is dikwijls, alsof er twee onderscheidene geesten in dezelfde ziel wonen, die beurtelings als het gebied voeren en den mensch of ten goede of ten kwade drijven. Het is een leerzaam tafereel, dat ons wordt opgehangen, waar die strijd wordt ontleed, en de werkingen der beide beginselen worden ontwikkeld; en deze roman, zonder eene bepaalde zedekundige waarheid te prediken, zonder eene bepaalde deugd als te personifieren, of tegen eene bepaalde ondeugd te waarschuwen, is in de daad een zeer zedelijk boek.

Beschouwen wij het boek enkel als roman, ook dan zal het aan het romanlezend publiek zeker niet mishagen. Er is in het verdichte verhaal veel, wat de aandacht en nieuwsgierigheid boeit; er wordt eene menigte van verschillende personen ten tooneele gevoerd, die meestal goed en onderscheidenlijk geteekend zijn en aan het geheel eene aangename afwisseling geven. Waarom de verdwijning van LieBERG aan het einde zoo zonderling moet zijn, begrijpt Rec. niet; of liever, zoo bij het begrijpt, en de Schrijver den Graaf per slot tot een boozen geest heeft willen maken, 200 vindt hij dat niet zeer gelukkig, en in de onzekerheid, waarin Janes zelf de zaak laat, ziet hij een bewijs, dat dit eenigzins door den Schrijver zelven is gevoeld.

De stijl van het boek is dikwijls fraai, maar ook op sommige plaatsen te gezwollen en te gemanierd. Het is jammer, dat de Vertaler niet van zich heeft kunnen verkrijgen, om dit eenigzins te verhelpen, waardoor het boek niet weinig zou gewonnen hebben.

Er is nog ééne bijzonderheid te vermelden, waardoor deze roman zich van vele andere onderscheidt. Hij is rijk aan schoone en belangrijke opmerkingen, beschouwingen, lessen van levenswijsheid, dikwijls op eene nieuwe wijze uitgedrukt. Het zou niet moeijelijk vallen daarvan vele voorbeelden bij te brengen. Ons oog valt hier op eenige regels, waarin de Schrijver wil doen gevoelen, dat het niet onverschillig is, met wien men een gesprek aanvangt. Wij zijn allen," zegt hij, » niets anders dan reizigers in deze wereld, uitventers slechts, reizende pakdragers met een' voorraad, die telkens verandert, vermeerdert of vermindert. Wij trekken de wereld door, een' kleinen reiszak met denkbeelden en gevoelens met ons dragende. Met ieder, tegen wien wij voor een oogenblik spreken, drijven wij handel in die koopwaren.

Indien wij een wijs en verstandig man ontmoeten, is hij somtijds mild en voorziet ons ruimschoots van verhevene en edele gedachten, terwijl hij daarvoor in de plaats alleen zoete gewaarwordingen van innerlijke voldoening ontvangt. Somtijds is het alzoo niet, en wil hij alleen handel drijven op gelijke voorwaarden; en indien wij hem geene wijsheid voor wijsheid kunnen geven, sluit hij zijnen vrekkigen winkel toe en wil geene negotie meer met ons drijven.

Indien wij naar een slecht mensch gaan, zijn wij bijna altijd zeker in onzen handel te zullen bedrogen worden, slechte of nuttelooze waar te bekomen, ja dikwijls zulke bedorvene dingen, dat zij, eens onder onzen voorraad opgenomen, molm en uitslag aan alles, wat hen nabij komt, mededeelen ...... O neen, het is geene onverschillige zaak, met wien wij een gesprek voeren, indien denkbeelden de rijkdom der ziel zijn!" – Wil men nog cene proeve, wij schrijven nog de volgende regels · uit: » Lady MALCOLM was eene van die vrouwen, welke van meening zijn, dat ieder jong mensch eenige uitspatting moet en zal begaan. Zij vergat hierbij, dat die uitspattingen en dwaasheden, ofschoon wij in een later tijdperk daarvan mogen terugkeeren, vlekken van tweederlei aard nalaten smetten op ons geluk en op onze opregtheid berouw niet slechts,

maar ook

argniet alleen de geheugenis van booze daden, de bekendheid met de zonde en de misdaad zelve. De boom, waarvan de mensch, tegen het Goddelijke bevel aan, in den hof van Eden at, was de boom der kennisse van goed en kwaad geheeten. Had onzer aller ongelukkige vader eene wijle stilgestaan, om na te denken, dan zou hij geweten hebben, dat hij de kennis van het goed reeds bezat, en dat het verbod van God doelde op het proeven van die vrucht, die hem de kennis van het kwaad zou geven. Hij at, en de smet van die vrucht kwam op zijne ziel ; 200 is het met ieder menschenkind: wij kunnen het kwaad niet kennen, zonder dat er voor altijd eene vlek in onze harten overblijft."

Wij behoeven ten slotte niet te zeggen, dat wij dit boek gaarne aanbevelen, en zouden wenschen, dat ook daardoor hier en daar goede zaden mogten worden uitgestrooid, die vruchten droegen van zedelijkheid. Waarom zijn deze boekdeelen door zulk een afschuwelijk leelijk vignet ontsierd ?

waan

maar

Imagina, of Keizer en Monnik. Historisch-Romantisch Tafereel, door Mr. W. VAN REIBURG.I.

Te Amsterdam, bij J. M. E. Meijer. 1842. In gr. 800. 298 bl. f 3 - : Gaarne verleenen wij onze aanbeveling aan de oorspronkelijke voortbrengselen van onze landgenooten, wanneer wij daartoe maar eenigermate vrijheid vinden. Het smart ons derhalve, dat wij in dezen zoogenaamden Historischen Roman van den Heer VAN R E II BORGI zulk eene verminking der ware geschiedenis, zulk een volslagen gemis aan belangrijkheid in de verdichting, zulk eene vervelende wijdloopigheid en platheid van stijl aantroffen, dat wij het geschrist ongeschikt keuren, om den lezer, die slechts eenigen smaak bezit, eene aangename tijdkorting te verschaffen. Of het moest aan ons liggen, dat wij ongevoelig zijn voor het schoone van de uitdrukking: Vrees niet, goedgunstige lezer! dat ik u zal pillen''! - Wat de zedelijkheid, de nuttigheid van dit werk aanbelangt, (wij bezigen hier des Schrijvers eigene woorden) welke door velen met zoo veel regt worden vereischt in een letterkundig product, zoo vermeent de Schrijver, dat er uit den toestand der voorgestelde personen zelven genoeg zedekundige voorschriften kunnen worden afgeleid.” Welken grond de Heer van

voor deze meening heeft, betuigen wij niet te begrijpen. Niet één der hoofdpersonen in dit verhaal levert een voorbeeld op tot navolging. De leering zou dus enkel van negativen aard zijn; wij voor ons houden het met de positive. Wij voor ons wenschen den Schrijver toe, dat hij in het vervolg, door de pen voor altijd neder te leggen, beter beantwoorde aan zijne eigene bekentenis, wanneer hij zegt: » Ik ben maar een doodeenvoudig reizigertje, dat somtijds zijne penaten verlaat, en ronddwaalt door de wijde wereld, zonder eigenlijk doel en meestal alleen; dat loopt en rijdt en stoomt voor zijn vermaak; vooral niet om van zich te laten praten.”

REIBURG II

De Ridder d'Harmental, of de Zamenzuering. Episode uit

den tijd van het Regentschap gedurende de minderjarigheid van LODEWIJK DEN XV. Door a. DUMAS. II Deelen. Te Gorinchem, bij A. van der Mast. 1842. In gr. 650 bl. 6 - 50.

[ocr errors]
« PreviousContinue »